Citaat | Parket bij de Hoge Raad 11 maart 2016
Alinea 35 Parket bij de Hoge Raad 11 maart 2016
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 11 maart 2016, ECLI:NL:PHR:2016:114.
Het gaat in dit kort geding hoofdzakelijk om de vraag in hoeverre [verweerder 1] dan wel [verweerder 2] hun vorderingen nu reeds kunnen innen bij [eiseres] , gelet op de clausule in het testament van de vader van [verweersters] dat deze vorderingen bij leven van [eiseres] niet-opeisbaar zijn. De voorzieningenrechter heeft het voor de vordering van [verweerder 1] gelegde beslag opgeheven op de grond dat deze vordering niet-opeisbaar is en het voor de vorderingen van [verweerder 2] gelegde beslag gehandhaafd op de grond dat deze vorderingen (voorshands) wel opeisbaar zijn. Het hof zal eerst de vraag bespreken in hoeverre bij een afweging van de wederzijdse belangen de eventuele niet-opeisbaarheid van de vorderingen tot opheffing van het beslag zou dienen te leiden. (rov. 3.5)
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b43291371eab74f8be79007a733355293d58a350bc53c3f3e9c39962ed80f3ff. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b43291371eab74f8be79007a733355293d58a350bc53c3f3e9c39962ed80f3ff, en de alinea staat in dat document op bytes 12790 tot 13588.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/b43291371eab74f8be79007a733355293d58a350bc53c3f3e9c39962ed80f3ff | shasum -a 256