Citaat | Parket bij de Hoge Raad 11 maart 2016

Alinea 84 Parket bij de Hoge Raad 11 maart 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 11 maart 2016, ECLI:NL:PHR:2016:114.

17. Onderdeel 1 richt zich tegen rov. 3.4, waar het hof overweegt dat opheffing van het beslag wegens onzekerheid over het bestaan en de omvang van de vorderingen waarvoor beslag is gelegd, niet aan de orde is, aangezien de vorderingen van [verweersters] uit hoofde van de nagekomen bate van € 25.871,44 plus rente zijn vastgesteld bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak (het hof-arrest van 13 augustus 2013, hersteld op 22 oktober 2013) en evenmin geschil bestaat over de omvang van de vordering van [verweerder 2] uit hoofde van de ouderlijke boedelverdeling van € 92,742,- (zonder dat rekening wordt gehouden met de nagekomen bate). Het onderdeel richt zich met een voortbouwende klacht tegen rov. 3.5, waar het hof aangeeft dat het in dit kort geding hoofdzakelijk gaat om de vraag in hoeverre [verweersters] hun vorderingen nu reeds kunnen innen gelet op de clausule in het testament van erflater dat deze vorderingen bij leven van [eiseres] niet-opeisbaar zijn.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b43291371eab74f8be79007a733355293d58a350bc53c3f3e9c39962ed80f3ff. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b43291371eab74f8be79007a733355293d58a350bc53c3f3e9c39962ed80f3ff, en de alinea staat in dat document op bytes 40673 tot 41662.