Citaat | Parket bij de Hoge Raad 11 maart 2016

Alinea 91 Parket bij de Hoge Raad 11 maart 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 11 maart 2016, ECLI:NL:PHR:2016:114.

20. Onderdeel 2.1 richt zich tegen rov. 3.6 en 3.7 waar het hof de vraag beantwoordt in hoeverre bij een afweging van de wederzijdse belangen de eventuele niet-opeisbaarheid van de vorderingen tot opheffing van het beslag zou dienen te leiden. Het hof oordeelt dat onder de in rov. 3.6 genoemde omstandigheden het belang van [verweersters] om het verhaal voor hun vorderingen uit hoofde van de ouderlijke boedelverdeling zeker te stellen, het zwaarst dient te wegen, ook indien deze vorderingen bij leven van [eiseres] nog niet opeisbaar zijn. In rov. 3.11 overweegt het hof dat [eiseres] belang mist bij haar grief II aangaande de opeisbaarheid bij haar leven van de vorderingen van [verweerder 2] , nu ook in geval deze vorderingen niet vervroegd opeisbaar zijn, de hiervoor verrichte belangenafweging ertoe leidt dat het beslag wordt gehandhaafd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b43291371eab74f8be79007a733355293d58a350bc53c3f3e9c39962ed80f3ff. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b43291371eab74f8be79007a733355293d58a350bc53c3f3e9c39962ed80f3ff, en de alinea staat in dat document op bytes 44058 tot 44920.