Citaat | Parket bij de Hoge Raad 11 maart 2016

Alinea 97 Parket bij de Hoge Raad 11 maart 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 11 maart 2016, ECLI:NL:PHR:2016:114.

22. Onderdeel 2.2 komt op tegen ’s hofs verwerping van grief I van het principale appel, waarin werd betoogd dat de vordering van [verweerder 2] op grond van art. 128 Overgangswet NBW summierlijk ondeugdelijk is aangezien [verweerder 2] zijn legitieme portie niet vóór 16 november 2006 heeft opgeëist. Het hof overweegt dat deze grief miskent dat het bepaalde in art. 128 Overgangswet NBW wel ertoe kan leiden dat de naar oud recht aan de legitimaris van een vóór 1 januari 2003 opengevallen nalatenschap toegekende bevoegdheden vervallen indien deze bevoegdheden niet tijdig worden uitgeoefend, maar niet dat de vordering ter grootte van de legitieme portie op de nalatenschap komt te vervallen. Het hof oordeelde dat [verweerder 2] nu juist voor deze vordering beslag heeft gelegd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b43291371eab74f8be79007a733355293d58a350bc53c3f3e9c39962ed80f3ff. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b43291371eab74f8be79007a733355293d58a350bc53c3f3e9c39962ed80f3ff, en de alinea staat in dat document op bytes 51306 tot 52110.