Citaat | Parket bij de Hoge Raad 4 oktober 2016

Alinea 81 Parket bij de Hoge Raad 4 oktober 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 4 oktober 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1150.

10. In de onderhavige zaak heeft het hof vooreerst vastgesteld dat de betrokkene in de hoofdzaak is veroordeeld voor medeplegen van opzettelijk telen van hennepplanten in de periode van 24 maart tot en met 13 mei 2013, en dat er voldoende aanwijzingen zijn dat de betrokkene en zijn mededaders reeds eerder een geslaagde hennepoogst hebben gehad, zodat zich hier het geval als bedoeld in art. 36e, tweede lid, Sr voordoet. Ook heeft het hof vastgesteld dat medeverdachte [medeverdachte] voor dat feit is veroordeeld is en dat aannemelijk is dat ook andere (onbekend gebleven) mededaders van de hennepkwekerij geprofiteerd hebben. Voorts heeft het hof overwogen dat de veroordeelden geen inzicht hebben willen verschaffen over de wijze waarop de buit/het voordeel is verdeeld. Uitsluitend om die reden heeft het hof aan de betrokkene een hoofdelijke betalingsverplichting opgelegd voor het wederrechtelijk verkregen voordeel. Na deze overweging van het hof volgen de berekening en de vaststelling van de omvang van het geschatte voordeel.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/21ecc6437148b4c90c0453bf6821ac02e7ab566529de3747734a5eb651c5a8dd. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 21ecc6437148b4c90c0453bf6821ac02e7ab566529de3747734a5eb651c5a8dd, en de alinea staat in dat document op bytes 23747 tot 24799.