Citaat | Parket bij de Hoge Raad 11 maart 2016
Onder 3.14 Parket bij de Hoge Raad 11 maart 2016
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 11 maart 2016, ECLI:NL:PHR:2016:117.
Jansen verdedigt dat stelplicht en bewijslast in beginsel op de dwalende rusten. Hij merkt op dat door hantering van de tenzij-formule in art. 6:228 lid 1 onder a en c het kenbaarheidsvereiste in de wettekst wordt gesitueerd in de eindfase van de redenering, als uitzondering op de regel, terwijl in art. 6:228 lid 1 onder b de kenbaarheid van het causaal verband juist als basisvereiste voorop staat. Hij meent dat laatstgenoemde benadering ook bij de toepassing van de bepalingen onder a en c de voorkeur verdient nu kenbaarheid een constitutief vereiste is voor een geslaagd beroep op dwaling. Daarbij merk ik op dat Jansen (wederzijdse) dwaling in beginsel plaatst in de sleutel van wederzijdse onderzoeksplichten, zodat de onderzoeksplicht van de wederpartij vanzelf ophoudt waar niet-kenbare verwachtingen van de dwalende hun intree doen. Daarom meent hij dat het kenbaarheidsvereiste slechts een afzonderlijke toets zal vormen in de zeldzame gevallen van volstrekt ‘gelijkwaardige’ wederzijdse dwaling, waarin werkelijk geen van de betrokken partijen in overwegende mate verantwoordelijk kan worden gehouden voor hun beider onwetendheid.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a15a3ab56820ec33bd91d1c9d89ce7ea20dad936a0aed64124e83c87b2f8c272. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a15a3ab56820ec33bd91d1c9d89ce7ea20dad936a0aed64124e83c87b2f8c272, en de alinea staat in dat document op bytes 46095 tot 47320.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/a15a3ab56820ec33bd91d1c9d89ce7ea20dad936a0aed64124e83c87b2f8c272 | shasum -a 256