Citaat | Parket bij de Hoge Raad 18 november 2016
Onder 2.13. Parket bij de Hoge Raad 18 november 2016
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 18 november 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1171.
Onderdeel 2 ziet op de verdeling van de bewijslast in rov. 3.7.2 - 3.7.3 en in rov. 3.9.2. Het klaagt dat het hof zonder toereikende redengeving is afgeweken van de hoofdregel in art. 150 Rv. Nu de Staat als procespartij heeft gesteld dat de belastingplichtige rekeninghouder is (of is geweest) bij een buitenlandse bank (in het bijzonder: de Bank Van Lanschot in Luxemburg) en nu de belastingplichtige die stelling behoorlijk gemotiveerd heeft betwist, dient de Staat de juistheid van zijn stelling te bewijzen. Eerst nadat de Belastingdienst bewijs van deze stelling heeft geleverd, kan de rechter toekomen aan de vraag of de Belastingdienst zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de gevraagde gegevens en inlichtingen voor de belastingheffing van belang kunnen zijn (subonderdelen 2.1 - 2.2). Het is dan ook ten onrechte, dat het hof in rov. 3.9.2 heeft overwogen dat de belastingplichtige moet bewijzen dat hij géén rekeninghouder bij die bank is (subonderdelen 2.1 en 2.3).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1de78ea432ffea89a29e43a498d8acf775eff4e9234dbc930ba0543da3c3a08b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1de78ea432ffea89a29e43a498d8acf775eff4e9234dbc930ba0543da3c3a08b, en de alinea staat in dat document op bytes 41210 tot 42275.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/1de78ea432ffea89a29e43a498d8acf775eff4e9234dbc930ba0543da3c3a08b | shasum -a 256