Citaat | Parket bij de Hoge Raad 18 november 2016

Onder 3.9 Parket bij de Hoge Raad 18 november 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 18 november 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1173.

Indien in eerste instantie meer dan één eiser of gedaagde in de procedure is betrokken geweest en slechts één van hen hoger beroep instelt, rijst de vraag hoe daarmee moet worden omgegaan. Deze problematiek wordt beheerst door de exceptio plurium litis consortium. De exceptio houdt in, in de woorden van de Hoge Raad, het verweer dat de eis moet worden afgewezen omdat bepaalde derden niet als partijen in het geding zijn betrokken. Snijders geeft een iets engere omschrijving van de exceptio, namelijk als behelzende het verweer van gedaagde of geïntimeerde dat eiser in eerste aanleg respectievelijk aanlegger in beroep nog een of meer andere personen als procespartij in een bepaalde zaak had moeten betrekken, hetzij aan zijn eigen zijde, hetzij aan de andere zijde. De exceptio plurium litis consortium is niet aan te merken als een exceptief verweer, maar als een verweer ten principale. De reden daarvoor is dat een inhoudelijk beoordeling nodig is van de rechtsbetrekking die in geschil is. Dit brengt mee dat de regel van art. 128 lid 3 Rv, dat alle excepties tegelijk met de conclusie of memorie van antwoord naar voren moeten worden gebracht, niet geldt voor de exceptio plurium litis consortium.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f6cfecce1728964f7f37db28147e42a75f780732aecc37a97ff58f1343552581. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f6cfecce1728964f7f37db28147e42a75f780732aecc37a97ff58f1343552581, en de alinea staat in dat document op bytes 21449 tot 22931.