Citaat | Parket bij de Hoge Raad 18 november 2016

Onder 3.13 Parket bij de Hoge Raad 18 november 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 18 november 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1173.

"De door het Hof kennelijk als absoluut aanvaarde betekenis van de éénheid der gezamenlijke erfgenamen zou dan ook praktisch tot gevolg hebben dat één van hen, door het aannemen van een negatieve houding een behoorlijke gedingvoering voor alle overige leden der proces-partij onmogelijk zou kunnen maken. Dit acht ik onaanvaardbaar. Te meer, daar de eenheid van proces-partij, voor zover die er behoort te zijn opdat de te wijzen rechterlijke beslissing rechtskracht heeft met betrekking tot alle erfgenamen te zamen (...) volkomen tot haar recht kan komen door te aanvaarden dat ieder van de leden dezer proces-partij proceshandelingen kan verrichten met werking t.a.v. de overige leden, voorzover althans deze handelingen ten voordele en niet ten nadele van die overige leden (...) kunnen strekken (van welk beginsel de bepaling van art. 79 alsdan een toepassing zou zijn). (...) De keuze lijkt mij niet moeilijk: waarom toch zou men één der erfgenamen het recht willen toekennen te beletten dat de overigen - te hunnen, en niet mede te zijnen eigen koste - een rechtsmiddel zouden kunnen instellen dat praktisch niet te zijnen nadele , doch eventueel - als het rechtsmiddel slaagt - alleen te zijnen voordele kan strekken ?"

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f6cfecce1728964f7f37db28147e42a75f780732aecc37a97ff58f1343552581. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f6cfecce1728964f7f37db28147e42a75f780732aecc37a97ff58f1343552581, en de alinea staat in dat document op bytes 34346 tot 36205.