Citaat | Parket bij de Hoge Raad 18 november 2016
Onder 3.23 Parket bij de Hoge Raad 18 november 2016
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 18 november 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1173.
De in het onderdeel verdedigde opvatting dat [verweerder] niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard, acht ik niet juist. Ik verwijs naar mijn opmerkingen onder 3.12-3.16. Anders ligt dit voor de stelling dat het hof niet tot een beoordeling had mogen overgaan zonder dat alle deelgenoten in het geding waren betrokken. Inderdaad dient de appelrechter in een situatie als de onderhavige, waar sprake is van een ondeelbare rechtsverhouding en slechts een van de gedaagden hoger beroep instelt, geen uitspraak te doen alvorens gelegenheid is gegeven de niet-appellerende medegedaagden op de voet van art. 118 Rv in het geding te betrekken. Als dit achterwege wordt gelaten, bestaat de mogelijkheid - die zich in het onderhavige geval daadwerkelijk heeft gerealiseerd - dat de positie van de niet-appellerende medegedaagden wordt verslechterd, doordat de uitspraak van het hof op grond van het ius recursum extensum ook rechtskracht heeft ten opzichte van hen. Dit is in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor, zoals hiervoor onder 3.16 is besproken. De rechtsklacht in het middelonderdeel is derhalve in zoverre terecht voorgesteld. Ik merk op dat in de toelichting op het onderdeel (cassatiedagvaarding onder n) door [eiseres] niet wordt verdedigd dat het hof gehouden was tot oproeping, maar dat het hof had moeten volstaan met niet-ontvankelijkverklaring van [verweerder]. Zoals gezegd deel ik dat standpunt niet; het hof was wél ambtshalve gehouden tot oproeping (zie onder 3.17). Nu het middelonderdeel onder 1.2 (slechts) stelt 'dat het hof (de waarde van) de activa en passiva die tot de gemeenschap behoren niet anders(...) [had] mogen vaststellen dan de rechtbank had gedaan zonder dat alle deelgenoten in het geding waren betrokken (...) ' meen ik dat deze klacht gegrond kan worden bevonden. Daaraan is dan toe te voegen dat het hof ambtshalve gelegenheid had moeten geven om [betrokkene 2] en [betrokkene 3] op de voet van art. 118 Rv op te roepen om als partij in het geding te verschijnen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f6cfecce1728964f7f37db28147e42a75f780732aecc37a97ff58f1343552581. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f6cfecce1728964f7f37db28147e42a75f780732aecc37a97ff58f1343552581, en de alinea staat in dat document op bytes 59668 tot 61887.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/f6cfecce1728964f7f37db28147e42a75f780732aecc37a97ff58f1343552581 | shasum -a 256