Citaat | Parket bij de Hoge Raad 2 december 2016

Onder 2.22. Parket bij de Hoge Raad 2 december 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 2 december 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1231.

Het standpunt van de werkneemster dat zij − anders dan NAK tot verweer had aangevoerd − in de voor het ontstaan van de gezondheidsklachten relevante periode wel degelijk ter plaatse aan het werk is geweest maakte deel uit van haar grieven in de procedure bij het gerechtshof Arnhem. Het staat de rechter niet vrij aan zijn beslissing feiten ten grondslag te leggen die niet door partijen zijn gesteld of anderszins in het geding te zijner kennis zijn gekomen. Een procespartij die bepaalde feiten of omstandigheden aan haar vordering ten grondslag wil leggen, zal deze zodanig moeten preciseren dat de wederpartij kan begrijpen waartegen zij zich moet verweren. Deze regel behoefde het hof echter niet te weerhouden van zijn oordeel dat indien [eiseres] in het door haar opgestelde cassatiemiddel zou hebben verwezen naar de memorie van grieven waar die inhield dat de werkneemster in de relevante periode wel degelijk aan het werk was, in combinatie met een verwijzing naar naar de “ter nadere onderbouwing van haar stellingen” bij die memorie van grieven overgelegde notulen van het werkoverleg, niet onaannemelijk is dat het oordeel van het gerechtshof Arnhem door de cassatierechter zou zijn gekwalificeerd als een ‘onbegrijpelijk’ oordeel. Onderdeel II.5 faalt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bb23d4d468410ddad6d3ff799c629ca1b73154475b65dbf017fa53ec9f62e9ed. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bb23d4d468410ddad6d3ff799c629ca1b73154475b65dbf017fa53ec9f62e9ed, en de alinea staat in dat document op bytes 37723 tot 39014.