Citaat | Parket bij de Hoge Raad 2 december 2016

Onder 3.12 Parket bij de Hoge Raad 2 december 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 2 december 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1236.

Het lijdt geen twijfel dat in het proces-verbaal van de zitting van 22 april 2015 een uitvoerige, gedetailleerde verklaring van [verweerder] is opgenomen en een tamelijk summiere verklaring van [eiser] . Vanwege de gedetailleerdheid van de verklaring van [verweerder] ter comparitie en het gebrek aan (gedetailleerde) weerspreking daarvan door [eiser] , heeft het hof de betwisting van [eiser] onvoldoende geacht en is het uitgegaan van de juistheid van de stellingen van [verweerder] , zo is in het arrest vermeld. Onder 3.10 is besproken dat art. 149 Rv, tweede volzin, dit mogelijk maakt, en dat de rechter hiermee een impliciete bewijsbeslissing geeft. De zwakke schakel van de overweging van het hof zit hierin, dat het hof niet concreet aangeeft tegenover welke (onderdelen van) stellingen van [verweerder] een (voldoende gemotiveerde) betwisting door [eiser] ontbreekt. Dit leidt tot onduidelijkheid, omdat de verklaring die [verweerder] ter zitting heeft afgelegd vrijwel overeenkomt met de stellingen die hij in zijn processtukken heeft ingenomen, en die steeds betwist zijn door [eiser] . Het is dan ook niet duidelijk waarom het hof zoveel betekenis toekent aan de omstandigheid dat [eiser] ‘ ter zitting (…) de verklaring van [verweerder] niet heeft weersproken ’. De enige verschillen die ik heb kunnen vinden tussen de verklaring ter zitting en de stellingen van [verweerder] in de eerdere processtukken, is dat [verweerder] ter zitting spreekt over een mededeling aan [eiser] (naar ik aanneem: in een telefoongesprek) - dat hij het 2.3 liter motorblok nodig had om het 2.5 liter motorblok klaar te maken - die hij eind maart 2011 zou hebben gedaan en dat [eiser] in mei 2011 in een telefoongesprek heeft aangegeven het 2.3 motorblok niet naar hem te willen brengen. In de eerdere processtukken is geen melding gemaakt van een dergelijke mededeling van eind maart 2011 en ook niet van het telefoongesprek van mei 2011. In die eerdere stukken heeft [verweerder] volstaan met de stelling dat [eiser] wist dat het 2.3 liter motorblok nodig was om het 2.5 liter motorblok klaar te maken en dat tussen partijen was afgesproken dat [eiser] het 2.3 liter motorblok in de loop van het raceseizoen zou brengen als hij tijd had. Aannemelijk is dan dat het hof [eiser] tegenwerpt dat hij deze aanvullende stellingen (de gesprekken/mededelingen van maart 2011 en mei 2011) ter zitting niet heeft betwist.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/db37537933666e3174e8b3666c8fbf874837480f9b723d75c35de2610c4ad3c9. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt db37537933666e3174e8b3666c8fbf874837480f9b723d75c35de2610c4ad3c9, en de alinea staat in dat document op bytes 34356 tot 36916.