Citaat | Parket bij de Hoge Raad 1 december 2016

Onder 4.9 Parket bij de Hoge Raad 1 december 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 1 december 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1238.

2. De zaak ligt anders voor de andere f 3000, die uitbetaald is op grond van de fout van de fiscus om de aangifte te behandelen als een teruggaafverzoek. Voor naheffing van een onterechte teruggaaf is vereist dat de teruggaaf is geschied ,,naar aanleiding van een ingevolge de belastingwet gedaan verzoek'' (art. 20, eerste lid, AWR). Daarvan is in casu geen sprake, dus de Hoge Raad had net als het hof snel klaar kunnen zijn. De Hoge Raad leest de stellingen van de staatssecretaris met betrekking tot deze f 3000 echter als een beroep op het vertrouwensbeginsel: door niet te reageren op de onterechte ,,teruggaaf'' heeft de belanghebbende jegens de fiscus de onjuiste indruk ,,versterkt'' dat er sprake zou zijn van een teruggaafverzoek. Deze door de belanghebbende ten onrechte niet weggenomen indruk moet volgens de staatssecretaris gelijkgesteld worden met een verzoek om teruggaaf in de zin van art. 20 AWR. Inderdaad werkt de vertrouwensleer twee kanten op. Ook de belanghebbende wordt gebonden aan door hem jegens de fiscus gewekt rechtens relevant vertrouwen. De inspecteur mag bijvoorbeeld in vertrouwen afgaan op een verzorgd uitziende aangifte. In casu is er echter geen sprake van een aan de belanghebbende toerekenbare schijn en zelfs niet van een onjuiste indruk bij de fiscus. De fiscus verkeerde immers in het geheel niet onder een bepaalde indruk, hij zat gewoon even niet op te letten en maakte daardoor een administratieve fout (een ,,intoetsfout'', volgens de inspecteur). Daarbij dacht hij niets bijzonders, althans aan iets anders. De fiscus heeft die fout voorts geheel zelfstandig begaan. Hij vertrouwde daarbij op geen enkele wijze op enige door de belanghebbende gewekte indruk. De stelling dat de belanghebbende een reeds zelfstandig bij de fiscus post gevatte onjuiste indruk heeft ,,versterkt'' door niet te reageren, is dus vermoedelijk feitelijk onjuist, want de fiscus had helemaal geen indruk, zodat die ook niet versterkt kon worden. In elk geval kon deze stelling in cassatie niet beoordeeld worden omdat zij feitelijk onderzoek naar des fiscus' indrukken zou vergen. Evenmin kan in cassatie onderzocht worden of de belanghebbende aanstonds besefte of had moeten beseffen dat er van een vergissing sprake was, nog daargelaten dat dit niet gesteld is, noch voor het hof, noch in cassatie.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b2ed10e9f3d7fb2f898e90605afbf11affe36cefc244b7fb10a92334bf88fba4. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b2ed10e9f3d7fb2f898e90605afbf11affe36cefc244b7fb10a92334bf88fba4, en de alinea staat in dat document op bytes 120293 tot 122631.