Citaat | Parket bij de Hoge Raad 1 december 2016

Onder 4.24 Parket bij de Hoge Raad 1 december 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 1 december 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1238.

De feiten in deze zaak laten zich door de veelheid aan data en bedragen wat lastig op een rijtje zetten. Het komt erop neer dat BV X aangifte deed en daarna constateerde dat er een fout was gemaakt. Die fout herstelde BV X door de oorspronkelijke aangifte te "overschrijven" met een nihilaangifte en die nihilaangifte weer te "overschrijven" met een aangifte met daarin de juiste gegevens. Alle drie de aangiften werden ingediend binnen de voor het desbetreffende tijdvak geldende aangiftetermijn. BV X droeg de loonbelasting ruim na de laatste aangifte (maar wel op tijd) af, maar betaalde daarbij - en dat maakte het extra verwarrend -, het bedrag dat zij op de eerste (achteraf onjuiste) aangifte had vermeld. Omdat zowel in periode 6 als 7 het bedrag op die onjuiste aangifte hoger was dan het bedrag op de laatste (juiste) aangifte, betaalde de ontvanger in beide gevallen het verschil terug. Daarbij ging het overigens om kleine bedragen: voor periode 6 was dat € 527 en voor periode 7 betrof het € 13. Tot zover geen probleem, maar nu komt het: de tussentijdse nihilaangifte in periode 7 werd door de inspecteur aangemerkt als een correctiebericht met als inhoud het verzoek om teruggave van de in de oorspronkelijke aangifte aangegeven belasting en aan dat "verzoek" voldeed de inspecteur. Deze handelwijze van de inspecteur is even raadselachtig als fout en de inspecteur corrigeerde dat door een naheffingsaanslag op te leggen. Daarbij beriep hij zich op de tekst van artikel 20, lid 1, van de AWR. Dit artikel bepaalt dat belasting die geheel of gedeeltelijk niet is betaald kan worden nageheven en dat met niet betaald zijn wordt gelijkgesteld het geval waarin naar aanleiding van een verzoek ten onrechte teruggaaf van belasting is verleend. De inspecteur stelde zich op het standpunt dat er sprake was van een correctiebericht dat moest worden aangemerkt als zo'n verzoek. De Rechtbank was het daarmee eens maar stelde prealabel de vraag aan de orde of hier wel sprake was van een correctiebericht. En die vraag beantwoordde de Rechtbank ontkennend. Op grond van de tekst van artikel 28a van de Wet LB zoals die in het onderhavige jaar (2007) luidde, kon een correctiebericht alleen betrekking hebben op een loontijdvak in een verstreken kalenderjaar en daarvan was in dit geval bepaald geen sprake. Integendeel, de door de inspecteur als correctiebericht aangemerkte nihilaangifte betrof een loontijdvak in een lopend kalenderjaar, waarvoor zelfs de aangiftetermijn nog niet was verstreken. De Rechtbank besliste daarom dat er geen sprake kon zijn van een correctiebericht. De handelwijze van de inspecteur kon niet anders worden aangemerkt dan als het verlenen van een teruggaaf van belasting waarom BV X helemaal niet had verzocht. Een dergelijke "ambtshalve" teruggave kan niet worden nageheven; daartoe verwees de Rechtbank ook nog naar een arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2008 (zie FutD 2009-0114 met ons commentaar).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b2ed10e9f3d7fb2f898e90605afbf11affe36cefc244b7fb10a92334bf88fba4. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b2ed10e9f3d7fb2f898e90605afbf11affe36cefc244b7fb10a92334bf88fba4, en de alinea staat in dat document op bytes 159394 tot 162355.