Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 december 2016
Onder 4.32 Parket bij de Hoge Raad 8 december 2016
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 december 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1255.
De gebruiker is het gehele forfait van één of drie vervuilingseenheden verschuldigd tenzij de recreatiewoningen zich op een bedrijfsmatig geëxploiteerd recreatieterrein bevinden (MvT, Kamerstukken II 1998/99, 26367, 3, p. 11 ). Het gaat er in deze procedure dus om of 1. sprake is van een voor verblijfsrecreatie bestemd terrein en 2. of sprake is van bedrijfsmatige exploitatie. Rechtbank en hof leggen de bewijslast bij belanghebbende omdat die zich op een uitzondering beroept. Uitgaande van het feit dat een recreatiewoning een woning is klopt die bewijslastverdeling. Zou een recreatiewoning geen woning zijn volgens de Waterschapswet dan wordt op de hoofdregel van art. 122e, 122f en 122g Waterschapswet teruggevallen, namelijk continu meten, bemonsteren en analyseren en dan zou de bewijslast bij het waterschap liggen om het forfait wel te mogen toepassen. In de wettekst is in tegenstelling tot de toelichting het woord bedrijfsmatig niet opgenomen. Ik ga er vanuit dat exploitatie ex art. 122h lid 5 Waterschapswet moet worden uitgelegd als bedrijfsmatige exploitatie en het komt mij dan niet vreemd voor dat van wisselend gebruik moet worden uitgegaan. De heffingsambtenaar legt de onderhavige regeling uit aan de hand van het objectafbakeningsvoorschrift van art. 16 aanhef en onderdeel e Wet WOZ die tekstueel enigszins vergelijkbaar is met art. 122h lid 5 Waterschapswet. Verschil echter met de onderhavige regeling is dat bij de Wet WOZ het uitgangspunt is dat eigendomsgrenzen moeten worden getrokken alvorens op basis van art. 16 te kunnen afbakenen. Bij de afbakeningsregeling van art. 16e Wet WOZ moeten - om tot een dergelijk recreatieterrein te kunnen afbakenen - de eigendomsgrenzen worden gerespecteerd; de zogenoemde voorliggende vraag waarna kan worden afgebakend. Dit heeft tot gevolg dat er minimaal evenzoveel WOZ-objecten zijn als er afzonderlijke eigendommen op zo’n terrein zijn en het is de vraag of een afzonderlijk afgebakend WOZ-object (een recreatiewoning) op zo’n terrein voldoet aan de definitie van art. 16e Wet WOZ. Ik ga uit van niet want dan is geen sprake van ‘een geheel van eigendommen (…)’. Bij de Waterschapswet spelen die eigendomsgrenzen bij de afbakening niet omdat de eis dat sprake moet zijn van ‘een geheel van eigendommen (…)’ in art. 122h lid 5 niet wordt gesteld. Verschil tussen de Wet WOZ en de Waterschapswet op dit punt is dat bij de eerste sprake van een afbakeningsregeling en bij de tweede sprake is van een kwalificatieregeling. Bij de Wet WOZ dienen alle eigendommen dus in een hand te zijn. Kortom, ongeacht de eigendomsgrenzen kan sprake zijn van een voor verblijfsrecreatie bestemd terrein. Het hof komt op basis van de wetsgeschiedenis tot dezelfde conclusie. Vervolgens dient te worden beoordeeld of sprake is van (bedrijfsmatige) exploitatie en daarvan is geen sprake als slechts belangen worden behartigd (of beheerd) door een VvE zoals belanghebbende heeft gesteld. Daarvoor is meer nodig en dat komt mij niet vreemd voor. Ik kan mij de verwarring bij belanghebbende wel voorstellen omdat die waarschijnlijk van de wettekst is uitgegaan en daarin is bedrijfsmatig niet opgenomen
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/553ebbfe8ff4bc430e3ccd631fd1f11ae3ca4406a664510f308d6fc357322b5d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 553ebbfe8ff4bc430e3ccd631fd1f11ae3ca4406a664510f308d6fc357322b5d, en de alinea staat in dat document op bytes 114499 tot 117745.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/553ebbfe8ff4bc430e3ccd631fd1f11ae3ca4406a664510f308d6fc357322b5d | shasum -a 256