Citaat | Parket bij de Hoge Raad 23 december 2016

Onder 2.14 Parket bij de Hoge Raad 23 december 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 23 december 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1322.

Het beroep van [eiser] in dit verband op de contra-proferentem -regel in subonderdelen I.2 en I.3 zie ik alleen al niet opgaan vanwege het volgende. Dit beginsel, dat voortvloeit uit de implementatie van de richtlijn oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten , geldt alleen wanneer de wederpartij van de gebruiker van algemene voorwaarden een natuurlijk persoon is, die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf . In onze zaak is sprake van een verzekeringsovereenkomst tussen NN en [B], dus [eiser] is niet zo’n consument-wederpartij. Dat zou hij pas na eventuele aanvaarding van een derdenbeding kunnen worden en het hof heeft feitelijk uitgemaakt dat de polis hier geen derdenbeding bevat dat hij kon aanvaarden. Je kunt het vervolgens niet omdraaien en dat oordeel: geen derdenbeding in de polis, bestrijden met de stelling dat deze uitleg in strijd komt met art. 6:238 lid 2 BW, want dan moet er eerst al sprake zijn van een consument-wederpartij.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/445e4954ae758015df2817de98435e746dfde7449a9f9798be2bdc41ad639748. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 445e4954ae758015df2817de98435e746dfde7449a9f9798be2bdc41ad639748, en de alinea staat in dat document op bytes 41077 tot 42262.