Citaat | Parket bij de Hoge Raad 16 december 2016

Onder 4.58 Parket bij de Hoge Raad 16 december 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 16 december 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1330.

Het onbehagen over de gezichtspuntencatalogus (hiervoor 4.24 en 4.25), zoals deze nu geldt en wordt toegepast (hiervoor 4.15-4.23), is begrijpelijk en invoelbaar. In het bijzonder de onzekerheid over de uitkomst lijkt niet wenselijk. Zij sluit slecht aan bij de in dit verband vaak centraal gestelde gedachte van prof. De Ruiter om asbestslachtoffers en hun nabestaanden een juridische en daarmee tweede lijdensweg te besparen (hiervoor 4.33). Ongelukkig vind ik ook dat voor eisende partijen in de aanvankelijk gegroeide praktijk slechts een relatief geringe kans is weggelegd dat het beroep van de aangesproken partij op verjaring onaanvaardbaar wordt geacht. Uit onderzoeken van Quist en Wolters zou immers blijken dat dit in (slechts) circa 35% van de gevallen geschiedt (hiervoor 4.15). Voor slachtoffers en hun nabestaanden is dit een weinig aanlokkelijk perspectief. In de recentere feitenrechtspraak is een voorzichtige ontwikkeling ten gunste van de vorderende partij waarneembaar. Het lijkt mij aangewezen om deze in een meer vaste en voorspelbare vorm te gieten.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f751ce9978296ca364df5de5b03c75114e8226a04e4eb5bbfa6891f664ae753b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f751ce9978296ca364df5de5b03c75114e8226a04e4eb5bbfa6891f664ae753b, en de alinea staat in dat document op bytes 153756 tot 154842.