Citaat | Parket bij de Hoge Raad 15 december 2016

Onder 4.50 Parket bij de Hoge Raad 15 december 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 15 december 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1350.

In de Nederlandse wet zijn de rechtsbeginselen, zoals het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel, niet opgenomen, maar deze zijn wel opgenomen in internationale verdragen, waaraan de rechter kan toetsen. In art. 1 Eerste Protocol EVRM zijn het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel gecodificeerd. Het rechtszekerheidsbeginsel maakt een onderscheid tussen het beginsel van behoorlijke wetgeving en het beginsel van behoorlijk bestuur. Bij het rechtszekerheidsbeginsel als behoorlijke wetgeving gaat het om de vraag of de wetgever bij het tot stand brengen van de wetten in formele en materiële zin de rechtszekerheid in voldoende mate in acht heeft genomen. Op grond van het rechtszekerheidsbeginsel mogen regels die in werking treden niet met terugwerkende kracht ten nadele van de burger strekken en zal een behoorlijke overheid onder omstandigheden in overgangsrecht moeten voorzien. Bij de eis van rechtszekerheid speelt onder andere het verbod van terugwerkende kracht van regels ten nadele van de burger. Dit wordt ook wel het materiële rechtszekerheidsbeginsel genoemd. Op grond van art. 1 Eerste Protocol EVRM mag een regeling materieel terugwerkende kracht bevatten, behalve als bij de belanghebbende een gerechtvaardigde verwachting bestond dat de bestaande wet niet met terugwerkende kracht zou worden gewijzigd. Onder het eerste Protocol is belastingheffing in beginsel toegestaan, maar voor belastingheffing met terugwerkende kracht geldt een afzonderlijke toetsing. Voor de terugwerkende kracht die ertoe leidt dat niet aan het rechtszekerheidsbeginsel wordt voldaan en het rechtszekerheidsbeginsel naast het eigendomsrecht wordt aangetast, zal de Staat een dringende reden van algemeen belang moeten hebben. Bovendien zal de getroffen maatregel een objectief redelijk en proportioneel middel moeten zijn om dat belang te dienen. Hierbij komt de wetgever een beoordelingsvrijheid toe. Bij de wetswijziging van art. 66 SW 1956 is niet voorzien in overgangswetgeving. De onderhavige wetswijziging ziet niet op de introductie van de verschuldigdheid van successierecht respectievelijk erfbelasting met terugwerkende kracht. De Successiewet 1956 is immers in werking getreden op 1 augustus 1956. Wel kan met de wetswijziging worden nagevorderd over belastingjaren waarover tot 1 januari 2012 niet meer kon worden nagevorderd. In zoverre is sprake van materiële terugwerkende kracht, aangezien de wijziging ingrijpt in een afgeronde rechtstoestand. Hierdoor kan schending van art. 1 Eerste Protocol EVRM aan de orde zijn.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/8add1ebcfb49ace1e85ae4e77886e0d6c98dd6d542e8a5c1bc4434a6755d3e95. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 8add1ebcfb49ace1e85ae4e77886e0d6c98dd6d542e8a5c1bc4434a6755d3e95, en de alinea staat in dat document op bytes 152828 tot 155425.