Citaat | Parket bij de Hoge Raad 18 maart 2016
Onder 2.4.1 Parket bij de Hoge Raad 18 maart 2016
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 18 maart 2016, ECLI:NL:PHR:2016:143.
Bij de beantwoording van deze vraag is het volgende in aanmerking te nemen. De rechtbank heeft in de rov. 4.1 t/m 4.5 van haar vonnis d.d. 8 juni 2011 bij de bespreking van de door [eiseressen] gestelde wilsonbekwaamheid wegens een geestelijke stoornis van [betrokkene 1] wel aandacht besteed aan wat [eiseressen] daaromtrent onder verwijzing naar de overgelegde stukken van medische aard hebben gesteld. In het licht van wat de betrokken notarissen in hun brief van 28 mei 2009 schrijven over hun aanpak van en bevindingen omtrent [betrokkene 1] bij de aanpassing van diens testament in mei 2008 oordeelt de rechtbank dat de gestelde geestelijke stoornis met de medische verklaringen onvoldoende is onderbouwd. De rechtbank overweegt onder meer: “in dat verband is van belang dat deze artsen [betrokkene 1] eerst na 22 juli 2008 (dus toen hij was opgenomen in het ziekenhuis) hebben onderzocht op zijn cognitieve functies, zodat hun conclusies omtrent de geestelijke gesteldheid van [betrokkene 1] ten tijde van het opmaken van het testament slechts vermoedens zijn en derhalve niet met zekerheid kan worden vastgesteld of en zo ja, in welke mate, [betrokkene 1] mogelijk in mei 2008 dementerend was. Bovendien is niet gesteld of gebleken dat [betrokkene 1] in de periode voorafgaand aan zijn overlijden al bij artsen onder behandeling was wegens dementie of de ziekte van Alzheimer. (…) Een verklaring van een arts die [betrokkene 1] omstreeks 23 mei 2008 heeft gezien en die hem heeft onderzocht op zijn geestelijk vermogen ontbreekt.” Omdat [eiseressen] hun stelling dat [betrokkene 1] ten tijde van het opmaken van het testament van 23 mei 2008 niet over zijn geestvermogens beschikte onvoldoende hebben onderbouwd, gaat de rechtbank ook aan het door hen gedane bewijsaanbod voorbij. ( ) Het zijn [eiseressen] die de afwijzing door de rechtbank van het beroep op nietigheid van het testament wegens een geestesstoornis bij [betrokkene 1] in appel bestrijden. Dat doen zij met de in het kader van het voorwaardelijk incidenteel appel aangevoerde grief 1. Die grief houdt niet meer in dan dat de rechtbank ten onrechte de primaire vordering van [eiseressen] om het testament van [betrokkene 1] nietig te verklaren dan wel te vernietigen heeft afgewezen. Over het passeren van het in de inleidende dagvaarding gedane bewijsaanbod wordt niet apart geklaagd. Voor de onderbouwing van de grief wordt volstaan met een verwijzing naar hetgeen in eerste aanleg is gesteld. Na erop gewezen te hebben dat [eiseressen] in hun toelichting op de voorwaardelijke grieven exact hadden dienen te formuleren waartegen hun bezwaren zich richten en dat zij geen nieuwe feiten en omstandigheden hebben gesteld of niet hebben aangegeven op grond waarvan de rechtbank tot een onjuiste conclusie is gekomen, geeft het hof als zijn oordeel dat de rechtbank terecht tot zijn oordeel is gekomen dat het testament van [betrokkene 1] niet nietig kan worden verklaard wegens een geestelijke stoornis. Dit oordeel van het hof komt hierop neer dat het oordeel van de rechtbank en de gronden waarop dat oordeel rust, overneemt. Het hof deelt daarmee het oordeel van de rechtbank, dat, gelet op wat de betrokken notarissen in hun brief van 28 mei 2009 schrijven over de gang van zaken rondom de aanpassing van het testament in mei 2008, er niet van voldoende feiten en omstandigheden is gebleken – ook niet met de overgelegde stukken van medische aard – om te kunnen concluderen dat [betrokkene 1] op 23 mei 2008 wegens een geestesstoornis niet bekwaam was om zijn wil omtrent zijn nalatenschap te bepalen, als ook de beslissing van de rechtbank om aan het bewijsaanbod van [eiseressen] voorbij te gaan. Niet kan worden gezegd dat het hof hiermee blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting of zijn arrest onvoldoende motiveert. Nu [eiseressen] bij de bestrijding van het oordeel van de rechtbank inzake de beweerde geestesstoornis bij [betrokkene 1] volstaan met enkel te verwijzen naar hetgeen zij in eerste aanleg hebben aangevoerd, kon het hof volstaan met het overnemen van het oordeel van de rechtbank en van de gronden waarop dat oordeel rust. ( ) Die gronden houden mede in dat er geen aanleiding bestaat om [eiseressen] tot bewijslevering ter zake van de door hen gestelde wilsonbekwaamheid toe te laten, nu er niet voldoende concrete feiten en omstandigheden zijn gesteld waaruit het bestaan van die wilsonbekwaamheid op 23 mei 2008 valt af te leiden.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d83833d57e1c28b1fa64689c9602ac814bce1dcdd81dee268f8cd3d5e86d0f6f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d83833d57e1c28b1fa64689c9602ac814bce1dcdd81dee268f8cd3d5e86d0f6f, en de alinea staat in dat document op bytes 24161 tot 28909.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/d83833d57e1c28b1fa64689c9602ac814bce1dcdd81dee268f8cd3d5e86d0f6f | shasum -a 256