Citaat | Parket bij de Hoge Raad 18 maart 2016

Onder 2.3 Parket bij de Hoge Raad 18 maart 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 18 maart 2016, ECLI:NL:PHR:2016:144.

Het hof heeft in rov. 12.4.6 van het bestreden tussenarrest van 2 december 2014 echter anders geoordeeld. Volgens het hof is niet van doorslaggevend belang dat [eiser], als hij de verzekering had gesloten die hij redelijkerwijs had behoren te sluiten, zijn aansprakelijkheid tot de opdrachtsom had moeten beperken, omdat “(h)et (…) immers thans (gaat) om de vraag wat (in het kader van een exoneratiebeding) feitelijk is overeengekomen, niet om de vraag welke situatie zou hebben bestaan indien te dien aanzien een andere afspraak was gemaakt.” Ik acht dat oordeel, althans zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk. Het exoneratiebeding dat feitelijk is overeengekomen, beperkt de te vergoeden schade immers tot het bedrag dat gedekt zou zijn geweest als [eiser] de verzekering zou hebben gesloten die hij redelijkerwijs had behoren te besluiten. Uit de door het hof kennelijk onderschreven bevindingen van de deskundige volgt, dat uit die verzekering een beperking van de te vergoeden schade tot het bedrag van de opdrachtsom zou zijn voortgevloeid. Dat laatste is, op grond van het tussen partijen geldende exoneratiebeding (en niet op grond van enig fictief beding), wel degelijk van (doorslaggevend) belang.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b8ceb5ac05c4c2a1786e6e41ba0c46fee7ff44ec091bbcacd9df9f150f1e1a54. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b8ceb5ac05c4c2a1786e6e41ba0c46fee7ff44ec091bbcacd9df9f150f1e1a54, en de alinea staat in dat document op bytes 49759 tot 51039.