Citaat | Parket bij de Hoge Raad 18 maart 2016
Onder 2.4 Parket bij de Hoge Raad 18 maart 2016
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 18 maart 2016, ECLI:NL:PHR:2016:144.
Zoals aan de klacht onder 1.1 ten grondslag is gelegd, leek ook het hof in het tussenarrest van 20 maart 2012 op dat laatste (en mijns inziens juiste) spoor te zitten. Zo diende [eiser] volgens rov. 4.24.1 te bewijzen dat het praktisch gesproken onmogelijk was een verzekering te sluiten “met een ook voor dit geval afdoende dekking” . En blijkens de in rov. 4.24.4 geformuleerde vragen die het hof voornemens was aan de deskundige te stellen (met name de vraag onder I, tweede gedachtestreepje; zie ook het dictum van het tussenarrest van 18 juni 2013 onder 4 sub b) achtte het hof - terecht - mede van belang welke “beperkingen of limieten” zouden hebben gegolden als het destijds voor [eiser] al mogelijk was geweest een verzekering te sluiten die óók de aansprakelijkheid voor de gevolgen van fouten in ontwerp, berekening, tekening of advies dekte. Opmerkelijk is voorts de uiteindelijk in het tussenarrest van 18 juni 2013 onder 5 gestelde vraag, die ertoe strekte te vernemen of het hanteren (door de adspirant-verzekerde) van algemene voorwaarden, houdende aansprakelijkheid uitsluitende of beperkende bedingen noodzakelijk was om voor een beroepsaansprakelijkheidsverzekering in aanmerking te komen. Ook in de benadering van het hof kwam het (op grond van het tussen partijen geldende en door [eiser] ingeroepen exoneratiebeding) dus niet erop aan of [eiser] met het oog op de bedoelde risico’s een verzekering, ongeacht van welke inhoud, had kunnen sluiten, maar of hij een verzekering had kunnen sluiten die, mede gelet op de eventueel daaraan verbonden beperkingen of limieten, in “een ook voor dit geval afdoende dekking” zou hebben voorzien. Als een dergelijke verzekering redelijkerwijze niet had kunnen worden gesloten, zou [eiser] op grond van het geldende exoneratiebeding hetzij in het geheel niet aansprakelijk zijn geweest (aan welk geval het hof kennelijk heeft gedacht, waar het in rov. 4.24.1 van het tussenarrest van 20 maart 2012 heeft overwogen dat in dat geval “de vordering van Veka (…) integraal (dient) te worden afgewezen” ), hetzij , in het geval dat [eiser] redelijkerwijze wél een verzekering had kunnen (en dus ook had behoren te) sluiten die echter niet in “een ook voor dit geval afdoende dekking” maar in een onvolledige dekking zou hebben voorzien, aansprakelijk zijn geweest tot het bedrag waarvoor de schade met die verzekering zou zijn gedekt, waarbij ook eventuele uit de door die verzekering voorgeschreven algemene voorwaarden voortvloeiende beperkingen van de te vergoeden schade in aanmerking zouden moeten worden genomen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b8ceb5ac05c4c2a1786e6e41ba0c46fee7ff44ec091bbcacd9df9f150f1e1a54. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b8ceb5ac05c4c2a1786e6e41ba0c46fee7ff44ec091bbcacd9df9f150f1e1a54, en de alinea staat in dat document op bytes 51159 tot 54047.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/b8ceb5ac05c4c2a1786e6e41ba0c46fee7ff44ec091bbcacd9df9f150f1e1a54 | shasum -a 256