Citaat | Parket bij de Hoge Raad 22 november 2016
Onder 6.6.2. Parket bij de Hoge Raad 22 november 2016
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 22 november 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1470.
In dit overleg participeert uiteraard het Openbaar Ministerie. Aan de hand van deze richtlijnen zal immers bepaald moeten worden of sprake is van verwijtbare nalatigheid met betrekking tot het treffen van preventieve maatregelen ter voorkóming van de inreis van vreemdelingen uit derde–landen, die zich daarbij bedienen van falsificaten. Aldus zullen de richtlijnen mede bepalend zijn voor de beslissing om wel of niet tot vervolging van de desbetreffende vervoersonderneming over te gaan. De gedachten daarover zijn de volgende. De toets, die ingevolge de richtlijnen zal moeten worden aangelegd bij het beoordelen van de «echtheid» van het bij het embarkeren aangeboden grensoverschrijdingsof iden[t]iteitsdocument zal een «prima facie-toets» zijn. Van de vervoerder zal worden verwacht, dat hij zijn personeel instrueert om het document zorgvuldig te bekijken op valsheden, die op het eerste gezicht kenbaar zijn voor personen, van wie redelijkerwijs verwacht mag worden dat zij weten hoe een authentiek document er in het algemeen uitziet. In de richtlijnen zal verder onderscheid gemaakt moeten worden naar vluchtlijnen, die risicodragend zijn en lijnen, die een dergelijk risico niet kennen. Uiteraard zal concrete informatie over dergelijke risico-vluchten aan de luchtvaartmaatschappijen moeten worden verschaft. In de richtlijnen zullen categorieën worden onderscheiden van gangbare falsificaten, die bij een zekere oplettendheid te onderkennen zijn. Bovendien leert de ervaring dat op bepaalde lijnen bepaalde falsificaten gangbaar zijn. Dat ligt ook voor de hand, omdat organisatoren van mensensmokkel zich op bepaalde vluchten specialiseren. Ook daarnaar zal in de richtlijn genuanceerd worden. Indien bekend is, dat op een bepaalde vlucht een vervalst identiteitsbewijs gangbaar is, dat als zodanig direct te onderkennen is aan een bepaalde misslag of vertekening in de afstempeling of in de afwezigheid van een water– of randmerk is het niet onredelijk van de maatschappij te vergen dat zij haar personeel instrueert daarop in het bijzonder te letten. Soms is ook bekend, dat overgelegde documenten op zich zelf wel afkomstig zijn van het land van uitreis, maar dat de identiteitsgegevens zijn gewijzigd. Soms is de kunstgreep waarmede de wijziging is aangebracht ook bekend. Verder zal van de vervoerder in grotere voorzorg worden geëist indien de vervoerder zich op de desbetreffende risicovlucht ook al bedient van falsificatie-apparatuur, omdat de vervoerder er mee bekend is dat met het vervoersbewijs gefraudeerd pleegt te worden. Dan heeft de vervoerder een voorkennis, waarvan verlangd mag worden dat hij die mede dient aan te wenden in het belang van Nederland. Eventuele nalatigheden in dit opzicht zullen dus eerder leiden tot de conclusie dat sprake is van een verwijtbare omissie dan wanneer de vervoerder kennelijk niet beschikte of niet kon beschikken over deze vóórkennis.”
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ac3362db87afd6d9eaaf9a798187cd1e6e6d254a998600760742d6331e333373. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ac3362db87afd6d9eaaf9a798187cd1e6e6d254a998600760742d6331e333373, en de alinea staat in dat document op bytes 49174 tot 52169.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/ac3362db87afd6d9eaaf9a798187cd1e6e6d254a998600760742d6331e333373 | shasum -a 256