Citaat | Parket bij de Hoge Raad 15 november 2016
Alinea 168 Parket bij de Hoge Raad 15 november 2016
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 15 november 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1528.
“[betrokkene 3] stelt zich op het standpunt ten gevolge van het aan cliënt onder 4 ten laste gelegde feit schade te hebben geleden ten bedrage van in totaal € 1028,42. Indien uw Hof met betrekking tot het 4e feit - zoals door mij bepleit - besluit tot vrijspraak dan wel ontslag van alle rechtsvervolging, dan dient [betrokkene 3] niet-ontvankelijk te worden verklaard in de door hem ingediende vordering tot schadevergoeding. Indien u wel komt tot een bewezenverklaring, dan dient de vordering wat mij betreft ook niet-ontvankelijk te worden verklaard voor wat betreft het materiele deel van de verzochte schadevergoeding omdat er geen sprake is van het voor toewijzing vereiste rechtstreekse verband tussen het onder 4 ten laste gelegde feit en de geclaimde schade, afgezien wellicht van de gevorderde reiskosten. De genoemde kledingstukken zullen immers niet onbruikbaar zijn geworden door de kras zoals die is geconstateerd op de bovenarm van [betrokkene 3]. En daarmee komen we vervolgens direct op de reden de vordering van [betrokkene 3] ook bij een bewezenverklaring van feit 4 geheel niet ontvankelijk te verklaren voor wat betreft het immateriële deel van de verzochte schadevergoeding. Zoals blijkt uit de geneeskundige verklaring/letselbeschrijving opgenomen op p. 100 van het dossier, is op 13 augustus 2014 door de forensisch arts van de GGD geconstateerd dat op de buitenzijde van de rechter-bovenarm, twee centimeter boven de elleboog, een gebied met een doorsnee van ongeveer 2 centimeter oppervlakkig is bekrast. Ook zijn verspreid over de linker handrug vier puntvormige krasjes geconstateerd. Ik kan op grond van die geneeskundige verklaring niet anders concluderen dan dat er sprake is van zeer bescheiden letsel bij [betrokkene 3], welke gedachte wordt versterkt door de in de geneeskundige verklaring genoemde schatting van de genezingsduur: één week. Mijns inziens kan de geringe ernst van het door [betrokkene 3] opgelopen letsel niet rechtvaardigen dat aan hem ter zake een immateriële schadevergoeding wordt toegekend van welke hoogte dan ook, laat staan van de gevorderde hoogte. Zelfs de toekenning van een min of meer symbolische vergoeding van bij wijze van spreken € 50,- ligt wat mij betreft niet in de rede. i
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f3a0bf0dee7308f65211c973e785c5fadea2665f15e576555a3ead7b57193ed3. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f3a0bf0dee7308f65211c973e785c5fadea2665f15e576555a3ead7b57193ed3, en de alinea staat in dat document op bytes 112106 tot 114373.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/f3a0bf0dee7308f65211c973e785c5fadea2665f15e576555a3ead7b57193ed3 | shasum -a 256