Citaat | Parket bij de Hoge Raad 15 november 2016

Alinea 174 Parket bij de Hoge Raad 15 november 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 15 november 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1528.

Tot slot de vordering van [betrokkene 2]. [betrokkene 2] vordert een schadevergoeding van € 11.724,96, waarvan een bedrag van € 574,96 ter zake van materiele schade en een bedrag van € 11.150,- ter zake van immateriële schade. Uiteraard dient ook de vordering van [betrokkene 2] niet-ontvankelijk te worden verklaard indien uw Hof komt tot een ontslag van alle rechtsvervolging met betrekking tot het onder 1 en 2 ten laste gelegde. Voor de hand liggend is dat een vrijspraak ter zake van het onder 2 ten laste gelegde feit leidt tot matiging van een eventueel toe te wijzen schadevergoeding. Indien uw Hof cliënt niet ontslaat van alle rechtsvervolging, heeft de verdediging geen opmerkingen met betrekking tot de gevorderde materiele schade. Voor wat betreft de gevorderde immateriële schade is dat anders. Er wordt een fors bedrag gevorderd. Slachtofferhulp Nederland probeert begrijpelijkerwijs het onderste uit de kan te halen voor [betrokkene 2] door de feiten 1 en 2 zonder meer bij elkaar op te tellen en € 6.000,- te rekenen voor feit 1 en dan nog eens ruim € 5.000, voor feit 2. Het toekennen van een schadevergoeding van € 6.000,- ter zake van de als gevolg van feit 1 geleden immateriële schade is naar Nederlandse maatstaven al fors om in het kader van een strafzaak toe te kennen ter zake van een poging tot doodslag. Om dan ook nog eens meer dan € 5000,- toe te kennen ter zake van immateriële schade geleden ten gevolge van de als feit 2 ten laste gelegde zware mishandeling (een handelen dat deel uitmaakte van hetzelfde feitelijke gebeuren, zoals ook door de officier van justitie in eerste aanleg is aangegeven), gaat dan naar het oordeel van de verdediging te ver, waarbij een rol speelt dat het ter zake van feit 2 gevorderde bedrag ook nog eens heel erg hoog is. De eventueel toe te kennen schadevergoeding aan [betrokkene 2] zou naar het oordeel van de verdediging hoe dan ook sterk gematigd dienen te worden voor wat betreft het immateriële deel daarvan en zou gelet op de gebruikelijk in zaken als deze toegekende vergoedingen in ieder geval een totaal van € 6.000,- niet te boven moeten gaan. De rest van de vordering dient niet-ontvankelijk te worden verklaard omdat deze een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, eenvoudigweg omdat in het kader van deze strafzaak niet zonder meer is vast te stellen dat [betrokkene 2] immateriële schade heeft geleden die te begroten is op een hoger bedrag. Opmerking verdient in dit kader tot slot dat een blijvende ontsiering van het oor, zoals ook in het kader van de vraag of feit 2 bewezen verklaard kan worden is betoogd, toch echt wel van een andere orde is dan bijvoorbeeld een groot litteken in het gelaat.”

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f3a0bf0dee7308f65211c973e785c5fadea2665f15e576555a3ead7b57193ed3. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f3a0bf0dee7308f65211c973e785c5fadea2665f15e576555a3ead7b57193ed3, en de alinea staat in dat document op bytes 119319 tot 122050.