Citaat | Parket bij de Hoge Raad 25 maart 2016

Onder 4.10.3 Parket bij de Hoge Raad 25 maart 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 25 maart 2016, ECLI:NL:PHR:2016:163.

Bij de beantwoording van de vraag of een prospectus misleidend is in de zin van art. 6:194 BW, moet worden uitgegaan van de vermoedelijke verwachting van een gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende gewone belegger tot wie de mededeling zich richt of die zij bereikt (vgl. HR 30 mei 2008, nr. C06/302, LJN BD2820). Deze aan het arrest HvJEG 16 juli 1998, zaak C-210/96, Gut Springenheide, NJ 2000/374, ontleende omschrijving van de ‘maatman’ is in iets andere bewoordingen, maar inhoudelijk niet afwijkend omschreven in het arrest HvJEG 19 september 2006, zaak C-356/04, Lidl, NJ 2007/18. Van deze ‘maatman-belegger’ mag verwacht worden dat hij bereid is zich in de aangeboden informatie te verdiepen, maar niet dat hij beschikt over specialistische of bijzondere kennis en ervaring (behoudens het geval dat de reclame zich uitsluitend op personen met dergelijke kennis en ervaring richt).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c6fac971a81155712ecb8ede518f0a0878c3543202c48112518dc1833c8061cc. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c6fac971a81155712ecb8ede518f0a0878c3543202c48112518dc1833c8061cc, en de alinea staat in dat document op bytes 100957 tot 101879.