Citaat | Parket bij de Hoge Raad 25 maart 2016

Onder 3.19 Parket bij de Hoge Raad 25 maart 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 25 maart 2016, ECLI:NL:PHR:2016:164.

Maar wat hiervan verder zij, de rechtbank heeft terecht geoordeeld dat niet van belang is dat Vabeog meent dat de Gemeente een verwijt treft van de verontreiniging van de onteigende percelen. De regeling van de procesgang in onteigeningszaken is op spoed en eenvoud ingesteld, en wijkt op belangrijke punten af van die in gewone burgerlijke zaken. Ik noem een paar bijzonderheden (geen uitputtende opsomming). Hoger beroep staat in onteigeningsgedingen slechts open voor de onteigenende partij als de dagvaarding nietig is verklaard of de eis is afgewezen, art. 26 Ow. Nadat hij de vervroegde onteigening heeft uitgesproken, heeft de onteigeningsrechter volgens art. 54t lid 2 Ow nog slechts tot taak de aan verweerder en eventuele derde-belanghebbenden uit te keren schadeloosstellingen vast te stellen. Dat ziet op de schadeloosstelling bedoeld in art. 40 Ow: de volledige vergoeding voor alle schade die de eigenaar rechtstreeks en noodzakelijk door het verlies van zijn zaak lijdt. De onteigeningsrechter stelt die zelfstandig vast, zonder te zijn gebonden aan de standpunten van de partijen in het onteigeningsgeding of het advies van de deskundigen. Voorts oordeelde Uw Raad:

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/eb257b024bb0ba6695f54a415fd2234b769a17965f1dc8e384186c1561421e12. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt eb257b024bb0ba6695f54a415fd2234b769a17965f1dc8e384186c1561421e12, en de alinea staat in dat document op bytes 38750 tot 40008.