Citaat | Parket bij de Hoge Raad 22 maart 2016

Onder 2.10 Parket bij de Hoge Raad 22 maart 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 22 maart 2016, ECLI:NL:PHR:2016:173.

“4.6. In zijn arrest van 21 september 2001, nr. 35857, ECLI:NL:HR:2001:ZC8110, BNB 2002/51, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat uit de wetsgeschiedenis blijkt dat aan de invoering van de vrijstellingsmogelijkheid voor pensioenlichamen in artikel 5, eerste lid, van de Wet ten grondslag heeft gelegen de overweging van de wetgever dat het onbelast laten van de winst van het pensioenlichaam aanvaardbaar voorkomt op basis van de veronderstelling dat deze winst van tijdelijke aard zal zijn en dat zij ten goede komt aan de verzekerden, een andere pensioeninstelling of aan het algemeen nut. Deze overweging, die naar het oordeel van de Hoge Raad in laatstbedoeld arrest de hoeksteen van de vrijstelling voor pensioenlichamen vormt, geldt naar het oordeel van de rechtbank onder de vigeur van de huidige wettekst onverkort.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e0be0dd5c2d092e28eb0ef53d5b486483f223d11dc042316b2b9d355e193e2dc. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e0be0dd5c2d092e28eb0ef53d5b486483f223d11dc042316b2b9d355e193e2dc, en de alinea staat in dat document op bytes 78392 tot 79228.