Citaat | Parket bij de Hoge Raad 12 januari 2016

Onder 5.8. Parket bij de Hoge Raad 12 januari 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 12 januari 2016, ECLI:NL:PHR:2016:178.

Omdat alle omstandigheden van het geval dienen te worden meegewogen bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van uitbuiting krijgt dat begrip een diffuus karakter. Bij het bepalen van de grenzen van het misdrijf mensenhandel lijkt het mij uit het oogpunt van een ordelijke inrichting van het materiële strafrecht aan te bevelen om de grenzen tussen verschillende misdrijven niet te zeer te laten vervagen. Zo een vervaging zou zich kunnen voordoen wanneer het ene misdrijf automatisch ook het andere, mensenhandel, zal opleveren. Te denken is inderdaad aan de situatie waarin kwetsbare personen worden misleid of gedwongen om iets te doen of na te laten, van welk handelen de dader profiteert. Ook de Hoge Raad hecht er klaarblijkelijk aan de grenzen tussen verschillende delicten zo nauwkeurig als mogelijk is af te bakenen. Ik verwijs in dit verband slechts naar recente rechtspraak over het witwassen, waarbij de Hoge Raad met een automatische verdubbeling van strafbaarheid van degene, die een door eigen misdrijf onmiddellijk verkregen goed voorhanden heeft, kom af heeft gemaakt door voor een veroordeling voor de witwasbepalingen extra te verlangen dat het handelen van verdachte, te weten het verwerven of voorhanden hebben, ook (kennelijk) gericht moet zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp. Om niet iedere oplichting of afpersing van een kwetsbaar persoon ook automatisch het misdrijf van mensenhandel te laten zijn, zullen mijns inziens aan mensenhandel extra eisen gesteld dienen te worden, die dit misdrijf onderscheiden van het delict van afpersing of oplichting, bestaande in het enkele aanwenden van een van de in het eerste lid onder 1 van artikel 273f Sr genoemde middelen. In onderdeel 1 van het eerste lid van artikel 273f Sr wordt het verschil gemaakt door het oogmerk van uitbuiting. In het vierde onderdeel wordt de meerwaarde gegarandeerd door (de strekking tot) uitbuiting te eisen. Als het enkele aanwenden van die middelen al uitbuiting zou opleveren zou het vereiste van uitbuiting geen meerwaarde bieden in vergelijking met bijvoorbeeld oplichting en afpersing. Ook de Hoge Raad drukt zich wel uit in bewoordingen die doen veronderstellen dat een extra dimensie voor mensenhandel nodig is. In HR 5 juli 2011, ECLI:2011:BQ6691 betrof het een veroordeling voor het eerste en vierde onderdeel van het eerste lid van artikel 273f Sr. Verdachte had op schaamteloze wijze geprofiteerd van het overwicht dat hij als hulpverlener op een zeer kwetsbare vrouw had en deze vrouw als sloof op allerlei gebied gebruikt. De betwisting dat er sprake van mensenhandel was stuitte volgens de Hoge Raad af op het oordeel van het hof, dat de combinatie en cumulatie van de gebeurtenissen een zodanig ernstige inbreuk op de lichamelijke en geestelijke integriteit en persoonlijke vrijheid van de vrouw opleveren dat er sprake is van uitbuiting in de zin van artikel 273f Sr. Dit oordeel gaf geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. In een andere zaak was voor de Hoge Raad kennelijk doorslaggevend de vaststelling van het hof, dat verdachte het leven van het slachtoffer, een jongen met een verstandelijke beperking, in een bepaalde periode volledig domineerde en misbruik heeft gemaakt van diens kwetsbaarheid.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/49ec8ffb8d0ce582282b67da63cbb4aadc362f56fb03d42d7ed0c3131cf8f0d5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 49ec8ffb8d0ce582282b67da63cbb4aadc362f56fb03d42d7ed0c3131cf8f0d5, en de alinea staat in dat document op bytes 46947 tot 50511.