Citaat | Parket bij de Hoge Raad 1 april 2016

Onder 2.2.3 Parket bij de Hoge Raad 1 april 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 1 april 2016, ECLI:NL:PHR:2016:198.

Uit het voorgaande volgt dat voor verkrijging ingevolge art. 3:105 BW slechts vereist is dat degene die zich op die verkrijging beroept, het bezit heeft op het moment waarop de extinctieve verjaring van de rechtsvordering tot beëindiging van het bezit wordt voltooid. Niet relevant is of het bezit al dan niet te goeder trouw is, evenmin hoe lang de actuele bezitter bij het verstrijken van de termijn het bezit van het goed al heeft. Voor de voltooiing van de verjaring is nodig dat de toestand dat een ander dan de rechthebbende bezitter (althans onrechtmatig houder) is, gedurende de gehele verjaringstermijn van twintig jaren heeft voortgeduurd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/33cf7d74206454580192c3064602b246dcc282b14a72a0010444f85412bc9c7d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 33cf7d74206454580192c3064602b246dcc282b14a72a0010444f85412bc9c7d, en de alinea staat in dat document op bytes 20928 tot 21719.