Citaat | Parket bij de Hoge Raad 1 april 2016

Onder 5.11.1 Parket bij de Hoge Raad 1 april 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 1 april 2016, ECLI:NL:PHR:2016:200.

Zeker niet zonder aarzeling meen ik dat weliswaar niet behulpzaam is dat ABN AMRO geen expliciete klacht als verwoord onder 5.10 heeft voorgedragen, maar dat dit niet dodelijk voor haar is. Uit de klachten kan immers moeilijk een andere conclusie worden getrokken dan dat het niet (zo zeer) commerciële overwegingen waren die haar tot het aangaan van de faciliteit hebben geleid, maar veeleer (natuurlijk in samenhang met de voordelen die ABN AMRO daarvan verwachtte; dat spreekt voor zich; immers is een bank geen liefdadigheidsinstelling) de overtuiging die zij op basis van de in confesso zijnde stukken had (en, zo wordt kennelijk bedoeld: mocht hebben) dat het verstrekken van krediet en daaraan voorafgaand het aangaan van de kredietfaciliteit verantwoord was. Het is nauwkeurig dat vertrouwen waarin zij is beschaamd. Op die stellingen heeft het Hof niet op begrijpelijke wijze gerespondeerd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7949fada404406ac35836827fa8412f66b35e8f6ba0f319e1412330fa211e225. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7949fada404406ac35836827fa8412f66b35e8f6ba0f319e1412330fa211e225, en de alinea staat in dat document op bytes 72326 tot 73240.