Citaat | Parket bij de Hoge Raad 6 april 2016

Onder 7.5 Parket bij de Hoge Raad 6 april 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 6 april 2016, ECLI:NL:PHR:2016:223.

Uit deze toelichting ter zitting leid ik af dat de Inspecteur zijn standpunt ter zitting heeft gewijzigd. Zijn subsidiaire standpunt lijkt nu te zijn (maar, in samenhang gelezen met de eerdere schriftelijke stukken, vind ik het niet erg helder) dat op een eenmaal in de aangifte gemaakte keuze voor een btw-auto niet in bezwaar of beroep kan worden terugkomen. Het Hof heeft die stelling ook zo opgevat en behandeld. Hij is daarbij ervan uitgegaan dat deze stelling slechts werd ingenomen voor auto’s waarvoor in 2012 aangiften bpm werden gedaan c.q. waarop de vanaf 1 januari 2012 geldende tekst van artikel 10, lid 7, van de Wet van toepassing is. Het Hof heeft die stelling dus niet behandeld voor de bpm-aangiften die zijn gedaan voor personenauto’s die in 2010 en 2011 ter registratie zijn aangeboden. Zoals ik het subsidiaire cassatiemiddel begrijp, komt de Staatssecretaris echter niet op tegen het onbehandeld laten van die stelling. Voor het geval ik dit laatste verkeerd zie, slaagt het middel echter evenmin. Ik licht dit nader toe.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/39e42fde63a1a59b44c5e0f295db048cb4c1d94d701a755d50d16858e90269ec. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 39e42fde63a1a59b44c5e0f295db048cb4c1d94d701a755d50d16858e90269ec, en de alinea staat in dat document op bytes 99094 tot 100154.