Citaat | Parket bij de Hoge Raad 29 januari 2016
Onder 4.7 Parket bij de Hoge Raad 29 januari 2016
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 29 januari 2016, ECLI:NL:PHR:2016:23.
Ik meen dat daar helemaal niet uit volgt dat het hof in rov. 3.8 heeft geoordeeld dat pas sprake kan zijn van voldoende bepaalbaarheid bij een concreet bedrag van daadwerkelijk door [verweerster] te betalen afkoopsom of dat dat bedrag zelfstandig uit de aanbiedingsbrief moet zijn op te maken. Dat overweegt het hof zo niet, zodat die klachten uitgaan van een verkeerde lezing van het arrest. Ook volgt hier niet uit dat zou zijn miskend dat sprake kan zijn van voldoende bepaalbaarheid bij eventuele vaststelling achteraf naar tevoren vaststaande criteria, eventueel met behulp van de redelijkheid en billijkheid. Het hof heeft in rov. 3.6, in cassatie onbestreden, de maatstaf voor de vraag of sprake is van een aanbod kort weergegeven. Daarop volgt in rov. 3.7 als relevante omstandigheid onder meer dat in de aanbiedingsbrief en de bijbehorende toelichting is vermeld dat de kortingen en de afkoopsom niet in canonbedragen zijn verwerkt en zullen blijken uit de nota’s die zullen volgen. Voor het hof was, zo volgt uit rov. 3.8, duidelijk doorslaggevend beslissend dat over korting op de afkoopsom helemaal niets kon worden afgeleid uit de aanbiedingsbrief met toelichting. Dat deelelement is voor het hof zo bepalend, dat dit de bepaalbaarheid als aanbod van de aanbiedingsbrief wegneemt in dit geval. Ook de omstandigheid uit 4.4 onder (d) maakt dit niet anders: ook al heeft [verweerster] aanvaard dat het concrete bedrag pas later zal blijken uit de nota’s, dat laat de hoeksteen in de redenering van het hof dat niet kon worden bepaald hoe de korting inwerkte op de afkoopsom onverlet (en dat legt bij het hof uiteindelijk zo’n gewicht in de schaal, dat dat dodelijk doorwerkt voor de vraag of aan het bepaalbaarheidsvereiste is voldaan). Ik vind dat niet onbegrijpelijk in cassatietechnisch opzicht; de gedachtegang van het hof is prima te volgen. De parallel die in de s.t. van de Gemeente onder 29 wordt getrokken met HR 6 mei 1960, NJ 1961/366 lijkt mij niet zo dwingend als bepleit. Daarin ging het om de partijbedoeling de waarde van de ingebrachte bioscoop later vast te stellen en in onze zaak is weliswaar ook gegeven dat de concrete korting op de afkoopsom uit latere nota’s kon blijken, maar weegt het hof zwaar dat inzicht ontbreekt hoe die korting wordt berekend, zodat geen overwogen keuze mogelijk was tussen afkoop of jaarlijkse canonbetaling. Die twee laatste aspecten maken de zaak anders, maar daar zou inderdaad in feitelijke instantie ook anders over kunnen worden geoordeeld. Onjuist of onbegrijpelijk maakt dat gegeven het oordeel van het hof niet.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7fe70b25ff91f7e6f16a77311253e304c156b39ad8ca6e33dcb1ac88ede84abf. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7fe70b25ff91f7e6f16a77311253e304c156b39ad8ca6e33dcb1ac88ede84abf, en de alinea staat in dat document op bytes 40839 tot 43510.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/7fe70b25ff91f7e6f16a77311253e304c156b39ad8ca6e33dcb1ac88ede84abf | shasum -a 256