Citaat | Parket bij de Hoge Raad 5 april 2016

Onder 6.3. Parket bij de Hoge Raad 5 april 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 5 april 2016, ECLI:NL:PHR:2016:234.

Het voorgaande is ongeacht de vraag of de vordering bestond of opeisbaar was, en/of opeisbaar was jegens aangever [betrokkene 1] privé, zodat ook het verweer van de verdediging dat verdachte niet wist dat medeverdachte [betrokkene 4] niet in zijn recht stond, dient te worden verworpen. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een ‘oogmerk tot wederrechtelijke bevoordeling’ daar de handelingen van verdachte en zijn medeverdachte op een dermate dreigende wijze zijn gedaan dat hij moet hebben beseft dat hij met zijn manier van handelen de grenzen van het maatschappelijk betamelijke verre heeft overschreden en dat degenen die daarmee werden geconfronteerd het ook als zodanig hebben ervaren.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e15ec8446275b26cf14783e808cdddbf576b36bfa85708f2e77a0ab44820aaef. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e15ec8446275b26cf14783e808cdddbf576b36bfa85708f2e77a0ab44820aaef, en de alinea staat in dat document op bytes 76232 tot 76950.