Citaat | Parket bij de Hoge Raad 5 april 2016

Onder 11.1. Parket bij de Hoge Raad 5 april 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 5 april 2016, ECLI:NL:PHR:2016:234.

[verdachte] kon niet weten dat er bedreigingen zouden worden geuit, in de beleving van [verdachte] is er nooit enige dreiging geweest. Dat blijkt ook uit de verhoren van [verdachte] . Ook gezien de intelligentie van [verdachte] mogen we aannemen dat hij de situatie niet als bedreigend heeft ervaren. Kijken we naar zijn houding bij de deur, dan zien we dat deze eerder verlegen dan bedreigend was. [verdachte] heeft geen oogcontact gehad met [betrokkene 2] en hij stond er ingezakt bij met zijn schouders naar voren. Zijn aanwezigheid was niet om (be)dreigende uitingen extra kracht bij te zetten, zijn aanwezigheid was zodat hij een dagje de deur uit kon zijn, gezellig. Nu "weten" een essentieel onderdeel is van (voorwaardelijk) opzet en niet kan worden gezegd dat [verdachte] zich bewust was van het eventuele dreigende karakter van de uitingen die door [betrokkene 4] zijn gedaan, dient [verdachte] bij gebrek aan opzet van de aan hem ten laste gelegde feiten worden vrijgesproken.”

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e15ec8446275b26cf14783e808cdddbf576b36bfa85708f2e77a0ab44820aaef. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e15ec8446275b26cf14783e808cdddbf576b36bfa85708f2e77a0ab44820aaef, en de alinea staat in dat document op bytes 88035 tot 89050.