Citaat | Parket bij de Hoge Raad 14 april 2016

Onder 3.9 Parket bij de Hoge Raad 14 april 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 14 april 2016, ECLI:NL:PHR:2016:239.

Volgens de belanghebbende leidt de Staatssecretaris bij verweer ten onrechte uit de geschiedenis van art. 7:690 BW af met de allocatiefunctie slechts bedoeld zou zijn dat de terbeschikkingstelling aan derden het beroep of bedrijf van de betrokkene is. Die stelling gaat eraan voorbij dat de bijzondere regeling van de uitzendovereenkomst blijkens de MvT bij de Flexwet alleen mag worden toegepast door werkgevers die een allocatiefunctie vervullen. Uit de door de Staatssecretaris aangehaalde latere antwoorden van bewindslieden aan de kamer volgt juist dat niet elke driehoeksrelatie een uitzendrelatie is en niet elke payroll- overeenkomst een uitzendovereenkomst is, maar dat het er van afhangt. De stelling dat aan het begrip ‘tijdelijk’ geen specifieke betekenis toekomt, acht de belanghebbende onjuist, nu de uitzendovereenkomst juist is ontstaan om tijdelijke arbeid te reguleren en tijdelijkheid typerend is voor de uitzendovereenkomst.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/44d50848998ca38af75ab095d43a9e1f35f12481da6fc15eb6c020e5a6724e02. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 44d50848998ca38af75ab095d43a9e1f35f12481da6fc15eb6c020e5a6724e02, en de alinea staat in dat document op bytes 55871 tot 56866.