Citaat | Parket bij de Hoge Raad 29 januari 2016

Onder 2.5 Parket bij de Hoge Raad 29 januari 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 29 januari 2016, ECLI:NL:PHR:2016:24.

Tussen partijen is niet in geschil dat de fiscus vorderingen heeft op LEF op grond van art. 22 lid 3 Iw 1990 bedoelde verschuldigde belastingen die zijn ontstaan vóór het faillissement van LEF. Op grond van art. 21 lid 1 Iw 1990 heeft de fiscus dan ook een bodemvoorrecht op de (aan Heineken verpande ) roerende zaken van LEF en is dus een bevoorrechte schuldeiser. De vraag is echter of de fiscus in rang boven de pandhouder gaat, indien de pandhouder zijn recht uitoefent voor een ná het faillissement ontstane boedelvordering, zoals hier het geval is. Die vraag beantwoordt de rechtbank ontkennend. Art. 21 lid 2 Iw 1990 heeft – zoals ieder ander artikel waarin een rangorde tussen vorderingen wordt bepaald – alleen betrekking op de verhouding tussen prefaillissementsvorderingen onderling, alsmede op boedelvorderingen onderling. Dit artikel geldt dus niet voor de verhouding tussen het fiscale voorrecht ter zake van een prefaillissementsvordering enerzijds en een door pandrecht op bodemzaken gesecureerde boedelverdeling anderzijds. Derhalve geldt in dit geval de hoofdregel dat pand boven voorrecht gaat (art. 3:279 BW). (rov. 4.3)

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b8aeb3f2fc230ab7d15832f771ec54b045bfda31738bda49f3395fe35426e328. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b8aeb3f2fc230ab7d15832f771ec54b045bfda31738bda49f3395fe35426e328, en de alinea staat in dat document op bytes 14780 tot 16067.