Citaat | Parket bij de Hoge Raad 29 januari 2016

Onder 3.16 Parket bij de Hoge Raad 29 januari 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 29 januari 2016, ECLI:NL:PHR:2016:24.

Voor de toepasselijkheid van art. 22 lid 3 Iw 1990 is in de eerste plaats beslissend of de aldaar bedoelde zaken op de bodem van de belastingschuldige in beslag genomen worden. Men spreekt daarom wel van het bodemrecht van de fiscus. Het bodemrecht verleent de fiscus het recht zich te verhalen op zaken die zich op de ‘bodem’ van de belastingplichtige bevinden. Met name wordt beoogd die verhaalsmogelijkheid te bieden daar waar rechten van derden op de zaken in het geding zijn die zijn gevestigd tot zekerheid van de nakoming van de verplichtingen jegens die derden door de belastingschuldige. Onder bodem wordt verstaan het perceel of het gedeelte van een perceel dat bij de belastingschuldige – voor welk doel dan ook – in gebruik is en waarover hij onafhankelijk van anderen de – feitelijke – beschikking heeft. Bovendien kan er sprake zijn van een gemeenschappelijke bodem als een perceel bij meer dan één natuurlijke en/of rechtspersoon in gebruik is. De uitdrukking ‘stoffering’ heeft in dit verband een zodanig brede betekenis, dat daaronder kan worden verstaan al hetgeen dat strekt tot gebruik van het perceel overeenkomstig zijn bestemming. Ook de begrippen ‘huis of landhoef’ zijn ruim op te vatten. Daaronder valt ook de inventaris van een horecagelegenheid als waarvan in dit geval sprake is.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b8aeb3f2fc230ab7d15832f771ec54b045bfda31738bda49f3395fe35426e328. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b8aeb3f2fc230ab7d15832f771ec54b045bfda31738bda49f3395fe35426e328, en de alinea staat in dat document op bytes 37855 tot 39326.