Citaat | Parket bij de Hoge Raad 29 januari 2016
Onder 3.23 Parket bij de Hoge Raad 29 januari 2016
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 29 januari 2016, ECLI:NL:PHR:2016:24.
Op grond van het vorenstaande kom ik tot de conclusie dat een faillissementsvordering als bedoeld in art. 22 lid 3 Iw 1990 geen voorrang heeft boven een door een pandrecht op bodemzaken gesecureerde boedelvordering. De curator kan aldus niet op de voet van art. 57 lid 3 Fw namens de Ontvanger de executieopbrengst van de verkochte inventaris opeisen bij Heineken. Het hof oordeelde niet, zoals subonderdeel 2.2 betoogt , dat een boedelcrediteur zich op de goederen van de failliet kan verhalen zonder rekening te houden met het faillissement, maar dat de pandhouder dat kan. Op de voet van art. 57 lid 1 Fw kan de pandhouder zijn rechten geldend maken alsof er geen faillissement was en op grond van art. 182 Fw wordt hij niet betrokken in de omslag van de algemene faillissementskosten. Onderdeel 2 faalt.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b8aeb3f2fc230ab7d15832f771ec54b045bfda31738bda49f3395fe35426e328. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b8aeb3f2fc230ab7d15832f771ec54b045bfda31738bda49f3395fe35426e328, en de alinea staat in dat document op bytes 46920 tot 47803.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/b8aeb3f2fc230ab7d15832f771ec54b045bfda31738bda49f3395fe35426e328 | shasum -a 256