Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 april 2016

Onder 2.33.3 Parket bij de Hoge Raad 8 april 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 april 2016, ECLI:NL:PHR:2016:242.

Voor zover het betoog berust op de opvatting dat het oordeel van het hof Amsterdam in rov. 4.11, eerste volzin, omtrent het ontbreken van een alternatief in essentie een oordeel is over de vraag of conversie in de zin van art. 3:42 BW mogelijk is, mist het feitelijke grondslag. Het oordeel in rov. 4.11, eerste volzin, ziet op de vraag of de overeengekomen samenwerking verplicht tot een door de wet verboden prestatie. Pas daarna komt de vraag aan de orde of sprake was van een nietige rechtshandeling en, zo ja, eventueel conversie. Om deze reden ligt in het oordeel van het hof Den Haag terecht besloten dat conversie, althans de mogelijkheid van een geldig alternatief, geen aanvulling kan zijn op de door Uw Raad geformuleerde gezichtspunten, omdat dit geen omstandigheid betreft die relevant is voor de beoordeling van de vraag of een overeenkomst die verplicht tot een door de wet verboden prestatie op die grond in strijd is met de openbare orde en dus nietig is.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c0cf32548bfea435741b583398d5fbfc8fd57a2863560371b5772296ab9d13fa. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c0cf32548bfea435741b583398d5fbfc8fd57a2863560371b5772296ab9d13fa, en de alinea staat in dat document op bytes 54670 tot 55656.