Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 april 2016
Onder 3.26 Parket bij de Hoge Raad 8 april 2016
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 april 2016, ECLI:NL:PHR:2016:243.
Het bestreden arrest biedt naar mijn mening geen aanknopingspunten voor de opvatting dat het hof een abstracte schadeberekening voor ogen heeft gestaan. De door het hof in rov. 2.15 voorgestelde maatstaf komt immers erop neer dat de schade wordt berekend of, indien de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, op grond van art. 6:97 BW wordt geschat, door de “-zo nauwkeurig mogelijk vast te stellen - uren die de werknemers van de Gemeenten aan de met het ongeval samenhangende werkzaamheden hebben besteed, dan wel als gevolg van het ongeval niet hebben kunnen werken en dus hebben moeten inhalen, te vermenigvuldigen met de loonkosten per uur van de desbetreffende werknemers.” Aldus is het hof niet van een abstract, maar juist van een concreet schadebegrip uitgegaan, waarbij de door de Gemeenten geleden schade niet zozeer bestaat uit het feit dat zij méér loonkosten voor hun werknemers hebben moeten maken dan zonder het ongeval het geval zou zijn geweest, maar uit het feit dat die werknemers - anders dan het geval zou zijn geweest als het ongeval was uitgebleven - gedurende een deel van de door de Gemeenten betaalde arbeidstijd niet hun reguliere werkzaamheden hebben kunnen verrichten en de Gemeenten tegenover de door hen betaalde loonkosten het resultaat van die reguliere werkzaamheden daarom hebben moeten missen. Het getuigt naar mijn mening niet van een onjuiste rechtsopvatting dat gemis aan de vrucht van de door hen betaalde arbeid als (concrete) schade van de Gemeenten op te vatten en die (concrete) schade te begroten op de loonkosten die corresponderen met de arbeidstijd die niet aan de reguliere werkzaamheden van de betrokken werknemers kon worden besteed. Voor zover subonderdeel 2.1 het hof verwijt van een in casu ontoelaatbare abstracte schadeberekening te zijn uitgegaan, kan het bij gebrek aan feitelijke grondslag niet slagen. Overigens meen ik dat het subonderdeel evenmin kan slagen, als zou moeten worden geoordeeld dat het hof van een abstracte wijze van schadevaststelling is uitgegaan. Er is mijns inziens geen rechtsregel die bepaalt wanneer de abstracte wijze van schadevaststelling al dan niet moet worden toegepast . Het stond het hof vrij de hier aan de orde zijnde schade van de Gemeenten te benaderen zoals het dat heeft gedaan, ook als die benadering een abstracte wijze van schadevaststelling zou impliceren.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/cac02df8d0a386f53cf7ff2f5e598dd5b5c33bfad414d4d3868c96d257c3280b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt cac02df8d0a386f53cf7ff2f5e598dd5b5c33bfad414d4d3868c96d257c3280b, en de alinea staat in dat document op bytes 105387 tot 107871.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/cac02df8d0a386f53cf7ff2f5e598dd5b5c33bfad414d4d3868c96d257c3280b | shasum -a 256