Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 april 2016

Alinea 57 Parket bij de Hoge Raad 8 april 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 april 2016, ECLI:NL:PHR:2016:247.

In rov. 4.15 overweegt het hof als volgt met betrekking tot de huurschuldvordering van € 21.926. De broer stelt dat hij met de erflaatster heeft afgesproken dat zij aan hem een vergoeding betaalt voor de huur van de woning behorende bij de boerderij over de periode 1 februari 1989 tot 1 april 1991 van f 800,- per maand, in totaal f 20.800,-, vermeerderd met een rente van 6% per jaar. Hij verwijst naar een op 21 april 2002 door hem en de erflaatster ondertekende onderhandse akte. De zuster betwist deze stelling gemotiveerd en bestrijdt onder meer de echtheid van de onderhandse akte. Het hof is van oordeel dat tegenover de betwisting door de zuster niet is komen vast te staan dat deze afspraak tot stand is gekomen. De broer stelt daarvoor onvoldoende en doet ook geen nader bewijsaanbod. Van een andere grond voor het bestaan van een recht op vergoeding voor het gebruik van erflaatster voor de woning is niet gebleken. Dat betaling van een vergoeding redelijk zou zijn geweest, is daarvoor onvoldoende.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/812c52424ea1326ac9c705efb320a3b7dc7142886537fa39e52b2aa700159bbe. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 812c52424ea1326ac9c705efb320a3b7dc7142886537fa39e52b2aa700159bbe, en de alinea staat in dat document op bytes 22033 tot 23061.