Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 april 2016

Alinea 96 Parket bij de Hoge Raad 8 april 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 april 2016, ECLI:NL:PHR:2016:247.

“In dit verband is uiteraard van groot praktisch belang de vraag wie een eventueel gesteld misbruik van omstandigheden in rechte zal moeten bewijzen. Naar geldend en wordend Nederlands recht mag worden aangenomen dat deze bewijslast in beginsel op de schenker rust; men zie artikel 1902 BW en artikel 177 van het ontwerp-bewijsrecht in burgerlijke zaken (10 377, nr. 2) (thans art. 150 Rv; plv. P-G). In beginsel; de rechter kan immers de bewijslast anders verdelen, indien - zoals voormeld artikel 177 het uitdrukt - «uit regels van geschreven of ongeschreven recht een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit»; het ontwerp van de staatscommissie sprak in dit verband van afwijking «op gronden van redelijkheid en billijkheid». Het komt mij gewenst voor ter versterking van de positie van de schenker in de onderhavige materie een bijzondere regel op te nemen, die bij een beroep zijnerzijds op vernietigbaarheid wegens misbruik van omstandigheden de bewijslast van het tegendeel in beginsel op de begiftigde legt. Aan deze omkering van de bewijslast bestaat echter geen behoefte indien van de schenking een notariële akte is opgemaakt; in dit geval, waarin een onpartijdige buitenstaander getuige van de rechtshandeling is geweest, mag er mijns inziens voorshands van worden uitgegaan dat de schenker zonder overijling en ongeoorloofde beïnvloeding is te werk gegaan. Voorts is een uitzondering opgenomen voor het geval de in de hoofdregel vervatte verdeling van de bewijslast in de gegeven omstandigheden in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid zou zijn. Van dit laatste zal de rechter dan wel uitdrukkelijk verantwoording moeten afleggen, ervan uitgaande dat feiten zijn gesteld die deze afwijking van de hoofdregel rechtvaardigen. Men denke bijv. aan het geval dat alleen de schenker over het bewijsmateriaal beschikt of dat zijn betoog zo onwaarschijnlijk is dat voorlopige aanvaarding ervan de wederpartij in een onredelijke bewijspositie zou brengen. Voor de formulering van de uitzonderingsbepaling vergelijke men de eerder geciteerde formuleringen van artikel 177 van het ontwerp-bewijsrecht alsmede de artikelen 6.1.1.2 lid 2 en 6.5.3.1 lid 2 (art. 6:2 lid 2 en art. 6:248 lid 2 BW; plv. P-G).”

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/812c52424ea1326ac9c705efb320a3b7dc7142886537fa39e52b2aa700159bbe. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 812c52424ea1326ac9c705efb320a3b7dc7142886537fa39e52b2aa700159bbe, en de alinea staat in dat document op bytes 48471 tot 50721.