Citaat | Parket bij de Hoge Raad 12 april 2016

Onder 2.3. Parket bij de Hoge Raad 12 april 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 12 april 2016, ECLI:NL:PHR:2016:282.

Een ander voorbeeld is HR 8 december 1954, BNB 1955/46, betreffende een aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 1950. De belanghebbende in deze zaak had in het kader van zijn onderneming gedurende een aantal jaren zowel diensten als goederenleveranties verricht ten behoeve van het bedrijf van zijn zoon, die de vergoeding daarvoor steeds schuldig bleef. De vraag deed zich voor of de afwaardering van de uit die diensten en leveranties voortvloeiende vordering op belanghebbendes winst in mindering kon worden gebracht. Ervan uitgaande dat de belanghebbende het risico dat de vordering niet zou kunnen worden voldaan, had aanvaard op grond van persoonlijke overwegingen en niet met het oog op de zakelijke belangen van zijn onderneming, stond het hem naar het oordeel van de Hoge Raad weliswaar vrij de vordering tot zijn ondernemingsvermogen te rekenen, maar behoorde het verlies op de vordering voor zijn persoonlijk risico te komen en te worden aangemerkt als een onttrekking die niet op de winst in mindering kon worden gebracht. Hieruit volgt logischerwijs dat de corresponderende winst bij de zoon van de belanghebbende eveneens in de privésfeer opkwam en bij hem dus niet kon worden belast.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7da474fe04d04bb743b9600990a49a3b4188d87f4d5265de1c16d9ab78c72b2f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7da474fe04d04bb743b9600990a49a3b4188d87f4d5265de1c16d9ab78c72b2f, en de alinea staat in dat document op bytes 51124 tot 52344.