Citaat | Parket bij de Hoge Raad 15 april 2016

Onder 2.13. Parket bij de Hoge Raad 15 april 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 15 april 2016, ECLI:NL:PHR:2016:291.

Ten aanzien van de klacht onder (ii) zij hier herhaald dat naar vaste rechtspraak het antwoord op de vragen of een goed op bijzondere wijze aan een der echtgenoten is verknocht en, zo ja, in hoeverre die verknochtheid zich ertegen verzet dat het goed in de gemeenschap valt - een en ander als bedoeld in art. 1:94 lid 3 BW - afhangt van de aard van dat goed, zoals deze mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald. Daarom had het hof niet beslissend mogen achten: of de uitkeringen waarop de man jegens de stamrecht B.V. aanspraak heeft, feitelijk zijn uitbetaald vóór de datum waarop de goederengemeenschap werd ontbonden. Voor de aanspraken die zien op de periode vóór de ontbinding, en waarvan de waarde in ieder geval niet meer bedraagt dan de som van de in die periode verschuldigde uitkeringen, geldt dat zij, evenals ontvangen loon, in de gemeenschap vallen. Indien de man had kunnen blijven doorwerken bij zijn werkgever, zou hij hebben ervaren dat zijn recht op loon in de huwelijksgoederengemeenschap valt. Dan valt, zonder nadere motivering, ook niet in te zien waarom een recht op vergoeding van gederfde toekomstige inkomsten over een tijdvak waarin de huwelijksgoederengemeenschap nog bestaat, niet tot de baten van de gemeenschap zou behoren.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/71dca0293bb308b4142752ab4af412d6497d0ba7d6ec53b69769fe5061742731. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 71dca0293bb308b4142752ab4af412d6497d0ba7d6ec53b69769fe5061742731, en de alinea staat in dat document op bytes 34222 tot 35544.