Citaat | Parket bij de Hoge Raad 15 april 2016
Onder 3.11 Parket bij de Hoge Raad 15 april 2016
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 15 april 2016, ECLI:NL:PHR:2016:292.
Klacht 2.1 gaat er kennelijk vanuit dat de rechter die moet oordelen over een verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen in de zin van art. 2:298 BW, eerst ten gronde moet beslissen over de vraag of de verzoeker belanghebbende is in de zin van dit artikel. Dit uitgangspunt lijkt mij niet juist. Ook deze voorvraag zal voorlopig kunnen worden beantwoord. Voorlopige voorzieningen moeten immers met spoed kunnen worden getroffen. Dit neemt overigens niet weg dat de rechter in zijn voorlopige beoordeling wel zo zorgvuldig mogelijk te werk dient te gaan.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bf5e3aeece12d64c679f0368ca61537073909e8fbe9169bf8345c9d9a935b09b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bf5e3aeece12d64c679f0368ca61537073909e8fbe9169bf8345c9d9a935b09b, en de alinea staat in dat document op bytes 34516 tot 35130.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/bf5e3aeece12d64c679f0368ca61537073909e8fbe9169bf8345c9d9a935b09b | shasum -a 256