Citaat | Parket bij de Hoge Raad 15 april 2016

Onder 2.14 Parket bij de Hoge Raad 15 april 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 15 april 2016, ECLI:NL:PHR:2016:293.

Subonderdeel 2.2 betoogt dat het hof met zijn oordeel in de rov. 9-22 van het eindarrest van 2 december 2014 - dat de grieven 4 en 11 falen - heeft miskend dat de omstandigheid dat overeenkomstig de Exploitatieverordening is vastgesteld dat de gronden van [eiser] met de door de Gemeente verrichte prestaties (zouden) zijn gebaat en dat het gemiddelde bedrag van de ten nutte van het exploitatiegebied gemaakte kosten is vastgesteld, niet meebrengt dat het aldus bepaalde bedrag kan gelden als de prestatie waarvoor [eiser] op de voet van art. 6:210 BW tot vergoeding is gehouden. Het hof heeft volgens het subonderdeel met name miskend dat - met het oog op de vraag in hoeverre de Exploitatieverordening een grondslag biedt voor het bedingen van een tegenprestatie voor de door de Gemeente verrichte prestatie - het aan de Gemeente is te stellen en met bescheiden te onderbouwen welke voorzieningen van openbaar nut specifiek met betrekking tot de percelen van [eiser] daadwerkelijk zijn getroffen, en welke kosten daaraan waren verbonden (vergelijk HR 5 december 2014 ( Michielse /Gemeente Reusel-De Mierden ), ECLI:NL:HR:2014:3532, NJ 2016/159 m.nt. S.D. Lindenbergh). Het subonderdeel betoogt dat het hof met zijn oordeel in de rov. 9-22 in het eindarrest van 2 december 2014 voorts heeft miskend dat in een geval als het onderhavige, waarin de Gemeente de gemiddelde kosten per vierkante meter van de door haar verrichte prestatie heeft berekend met betrekking tot een gebied waarvan het perceel deel uitmaakt, onvoldoende is dat de Gemeente gegevens in het geding brengt waaruit de kosten met betrekking tot dat hele gebied blijken. [eiser] heeft onder meer bij memorie van grieven onder II.46 (jo III.24) aangevoerd dat de door de Gemeente overgelegde berekening niet inzichtelijk en gespecificeerd is, noch is voorzien van toelichtende stukken. Uit de berekeningen van de Gemeente en de deskundige valt niet af te leiden welke prestaties, meer in het bijzonder: welke voorzieningen van openbaar nut, specifiek met betrekking tot de percelen van [eiser] , zijn getroffen en welke kosten daaraan voor de Gemeente waren verbonden (vergelijk genoemd arrest, rov. 3.6.3 en 3.7). Door de grieven 4 en 11 te verwerpen en daarmee te oordelen dat de Gemeente aannemelijk zou hebben gemaakt op welke tegenprestatie zij aanspraak kan maken, heeft het hof volgens het subonderdeel dan ook hetzij blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, hetzij zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd, omdat het niet zonder te onderzoeken welke voorzieningen specifiek met betrekking tot de percelen van [eiser] zijn getroffen en welke kosten daaraan voor de Gemeente waren verbonden , heeft kunnen oordelen dat de maximaal op grond van de Exploitatieverordening toe te kennen exploitatiebijdrage daadwerkelijk aan de Gemeente kon worden toegekend. Indien en voor zover het hof met zijn oordeel tot uitdrukking heeft willen brengen dat de vergoeding van art. 6:210 lid 2 BW tevens zou moeten worden betaald ten aanzien van niet daadwerkelijk verrichte prestaties, is zijn oordeel (ook om die reden) rechtens onjuist. De vergoeding ex art. 6:210 lid 2 BW kan, nog steeds volgens het subonderdeel, slechts verschuldigd zijn voor prestaties die daadwerkelijk zijn verricht, ergo: voor hetgeen daadwerkelijk, feitelijk onverschuldigd is betaald. Het hof gaat dan dus uit van een onjuiste rechtsopvatting.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1281b31367251044ff326dd4e44d122aa0c51b9687d32fccd7c2f70edab21e98. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1281b31367251044ff326dd4e44d122aa0c51b9687d32fccd7c2f70edab21e98, en de alinea staat in dat document op bytes 62415 tot 65995.