Citaat | Parket bij de Hoge Raad 16 februari 2016

Alinea 206 Parket bij de Hoge Raad 16 februari 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 16 februari 2016, ECLI:NL:PHR:2016:299.

23. Uit deze passage volgt dat de wetgever bij deskundigeninzichten niet alleen heeft gedacht aan bevindingen van bijvoorbeeld forensische DNA-deskundigen, wier specialistische kennis zich in sterke mate onderscheidt van die van de gemiddelde rechter, maar ook aan onderzoek door gedragsdeskundigen. Gesteld wordt wel dat bewijs gebaseerd op onderzoeken uit de menswetenschappen minder “hard” is dan bewijs dat is gebaseerd op kennis uit de natuurwetenschappen, al heeft ook de interpretatie van de laatste subjectieve kenmerken. De wetgever heeft echter niet uitgesloten dat inzichten van een gedragsdeskundige een novum kunnen opleveren. In het onderstaande zal ik betogen dat in dezen terughoudendheid is geboden, met name in die gevallen waarin de gedragsdeskundige aan de hand van het strafdossier tot andere inzichten komt ten aanzien van de betrouwbaarheid van tot het bewijs gebezigde verklaringen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4bd5b45c987c68932301675c55dabb2529d08fbe9a5ca8e1e1d117736844ff3d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4bd5b45c987c68932301675c55dabb2529d08fbe9a5ca8e1e1d117736844ff3d, en de alinea staat in dat document op bytes 63518 tot 64507.