Citaat | Parket bij de Hoge Raad 16 februari 2016

Alinea 216 Parket bij de Hoge Raad 16 februari 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 16 februari 2016, ECLI:NL:PHR:2016:299.

29. Het toetsen van de betrouwbaarheid van verklaringen die door de verdachte en door getuigen worden afgelegd, behoort tot de taak van de feitenrechter. Daarbij gaat het om een waardering van het bewijsmateriaal, een terrein dat bij uitstek aan de feitenrechter is toevertrouwd en waarbij de rechter in de regel niet afhankelijk is van de inbreng van deskundigen. Een oordeel van een deskundige die op basis van het bestuderen van de stukken van het geding tot een andere waardering van de betrouwbaarheid van de afgelegde verklaringen komt, zal dan ook in het algemeen geen novum kunnen opleveren. Niet uit te sluiten is echter dat voor de duiding van verklaringen in voorkomende gevallen het oordeel van gedragsdeskundigen wel nodig is. Dat geldt in het bijzonder in geval er sprake is van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens en de vraag zich opdringt in hoeverre de afgelegde verklaring in verband staat tot die mentale toestand. In die gevallen zou een deskundigenoordeel onder omstandigheden wel een nieuw licht op de zaak kunnen werpen. Ik kom daarop nog terug.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4bd5b45c987c68932301675c55dabb2529d08fbe9a5ca8e1e1d117736844ff3d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4bd5b45c987c68932301675c55dabb2529d08fbe9a5ca8e1e1d117736844ff3d, en de alinea staat in dat document op bytes 70949 tot 72068.