Citaat | Parket bij de Hoge Raad 16 februari 2016

Onder 3.6.18 Parket bij de Hoge Raad 16 februari 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 16 februari 2016, ECLI:NL:PHR:2016:299.

32. Al met al kan de vraag worden gesteld of het nieuwe novumbegrip “significant” is verruimd, zoals in de memorie van toelichting wordt opgemerkt, of dat sprake is van een regeling die aansluit bij de ontwikkeling in de rechtspraak van de Hoge Raad, die met een extensieve uitleg van het oude novumbegrip tot stand is gekomen. In de laatste opvatting regelt de wetgever thans wat de Hoge Raad voorheen met gebruikmaking van “constructies” binnen de reikwijdte van de toenmalige herzieningsgrond heeft weten te brengen. Ik meen dat de laatste benadering de beste papieren heeft. Voor deze visie is steun in de wetsgeschiedenis te vinden. Zo wordt in de memorie van toelichting opgemerkt dat in de voorgestelde regeling de “grenzen van het recht” anders komen te liggen, waardoor de Hoge Raad niet meer gebruik hoeft te maken van “constructies” om in te spelen op nieuwe forensische expertise. In de Kamerstukken wordt de verwachting uitgesproken dat de voorgestelde verruiming vooral tot gevolg zal hebben dat herzieningsverzoeken die toch al gedaan worden met toepassing van een meer bevredigend criterium onderzocht kunnen worden. Het oplossen van de knelpunten van de voormalige herzieningsregeling heeft in die benadering in zoverre veeleer de strekking de herzieningsrechter te voorzien van een beter hanteerbaar criterium voor die gevallen waarin herziening is aangewezen. De significante verruiming heeft in die benadering vooral betrekking op de formulering van het novumbegrip en niet op de verhouding tot de rechtspraak van de Hoge Raad van vóór de wetswijziging. Daarbij merk ik nog op dat in de wetsgeschiedenis geen verwijzingen zijn te vinden naar zaken waarin herziening (ten voordele) is afgestuit op het oude novumbegrip, terwijl op grond van deskundigeninzichten zou moeten worden aangenomen dat een ernstig vermoeden bestond dat de rechter bij bekendheid met dat inzicht niet tot een veroordeling zou zijn gekomen. Illustratief is ook dat de wetgever als toelichting op het “verruimde” novumbegrip” verwijst naar de zaak Ina Post, die echter onder het oude wettelijke regime tot herziening heeft geleid. Zoals gezegd, heeft de Hoge Raad ten aanzien van het oude novumbegrip een rekkelijke benadering gehanteerd, die maakte dat veroordelende uitspraken waaraan het fundament door deskundigeninzichten was komen te ontvallen, niettemin voor herziening in aanmerking zijn gekomen. In andere gevallen lijkt de herzieningsaanvraag veeleer te zijn gestrand op de omstandigheid dat het deskundigeninzicht in relatie tot de bewijsconstructie onvoldoende gewicht in de schaal legde dan wel was gebaseerd op feiten en omstandigheden waarmee de rechter bij het onderzoek op de terechtzitting al bekend was.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4bd5b45c987c68932301675c55dabb2529d08fbe9a5ca8e1e1d117736844ff3d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4bd5b45c987c68932301675c55dabb2529d08fbe9a5ca8e1e1d117736844ff3d, en de alinea staat in dat document op bytes 81591 tot 84598.