Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 maart 2016

Alinea 268 Parket bij de Hoge Raad 8 maart 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 maart 2016, ECLI:NL:PHR:2016:316.

40. Op grond van het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, meen ik, met verwijzing naar het overzichtsarrest inzake het horen van getuigen van de Hoge Raad van 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:1496, NJ 2014/441 m.nt. Borgers en in het licht van hetgeen de verdediging te dezen heeft aangevoerd, dat de afwijzing van het (voorwaardelijk) verzoek om mr. Mol als getuige te horen niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigt en toereikend is gemotiveerd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/6e00cae3c1b23a4d077dd309cf7a88ecbb75c2c18ba451260b549949baeefa43. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 6e00cae3c1b23a4d077dd309cf7a88ecbb75c2c18ba451260b549949baeefa43, en de alinea staat in dat document op bytes 116949 tot 117457.